donderdag 23 mei 2013

Verwarring in de overleveringen?


VERWARRING IN DE OVERLEVERINGEN?

 

Inleiding.

 

Ook in de oudheid schrijft men al veel van elkaar over. Een van de mogelijke voorbeelden wordt hieronder nader uitgewerkt.

Het betreft het vraagstuk Gnaeus en Munda.

 

Eerst een overzicht van enige auteurs, die ermee te maken zouden kunnen hebben in chronologische volgorde:

 

Schema:

        200  POLYBIOS VAN MEGALOPOLIS >>>> wereldgeschiedenis

             X                        

        180  X

             X

        160  X

             X

        140  X

             X

        120  X

 

        100  CORNELIUS NEPOS >>>> de viris illustribus

             X                                              SALLUSTIUS (Jugurtha)

        80   X                                              X

             X    STRABON VAN AMASEIA >>>> Geographika      X

        60   X    X    TITUS LIVIUS VAN PATAVIUM >>>> Ab Urbe Condita

             X    X    X    DIODOROS VAN AGURION >>>> Historion Bibliothèkè

        40   X    X    X         X?                         X

             X    X    X         X?                         X

        20        X    X         X?

                  X    X

        0         X    X

                  X    X

--------------------------------------------------------------

 

Waar gaat het over?

 

De plaats Munda in Zuid-Spanje komt meerdere malen ter sprake in de overleveringen. Hetzelfde gebeurt ook met de naam van één of meerdere figuren: Gnaeus en wellicht in samenhang met die plaats.

 

Munda wordt ook genoemd tijdens de 2e Punische oorlog in 212/211 v.C, maar ook tijdens de burgeroorlog in 45 v.C. In de 2e Punische oorlog is er sprake van een Gnaeus Scipio. Tijdens de burgeroorlog treedt een Gnaeus Pompeius op de voorgrond. Het kunnen twee geheel aparte gebeurtenissen zijn, maar is er toch niet sprake van enige verstrengeling en verwarring?

 

 

 

 


 

De overleveringen.

 

POLYBIUS

 

De eerste historicus, die erover zou kunnen berichten, met name over de 2e Punische oorlog, is Polybius. Merkwaardig genoeg zegt hij er maar heel weinig over, ofwel zijn overlevering over deze episode is goeddeels verloren gegaan.

 

Uit boek 8 is een fragment bewaard gebleven over alleen maar verdedigingsmaatregelen, die Gnaeus Scipio volgens hem in 211 v.C te Spanje neemt.

Vervolgens gaat hij in boek 9 in op het resultaat van de hierna losgebarsten strijd:

“De Carthaagse legeraanvoerders hadden hun (Romeinse) legeraanvoerders bedwongen, maar zichzelf bedwingen konden zij niet. Toen ze meenden de oorlog tegen de Romeinen tot een goed einde te hebben gebracht, begonnen ze onderling verdeeld te raken en waren er onafgebroken conflicten tussen hen ten gevolge van hun hebzucht en hun heerszucht, eigenschappen, die bij de Feniciërs aangeboren zijn.”

Geen woord over de kennelijk plaatsgevonden dubbelslag, maar alles over zijn vooringenomenheid t.o.v. de Feniciërs. Merkwaardig, dat hij over Feniciërs praat en niet over Carthagers.

 

Munda komt bij Polybius in zijn berichtgeving kennelijk niet voor! En dat zal wel terecht blijken te zijn.

 

CORNELIUS NEPOS >>>> de viris illustribus

 

Geen overleveringen over deze kwestie zijn van hem bekend.

 

SALLUSTIUS (Jugurtha)

 

Deze geschiedschrijver houdt zich eigenlijk alleen met Jugurtha van Numidië bezig. Hij vermeldt nog wel, dat deze Jugurtha betrokken was bij de strijd om Numantia te Spanje, maar verder komt Spanje niet in beeld.

 

STRABON VAN AMASEIA >>>> Geographika

 

Onder III 2.2. vermeldt hij (64/63- v.C – 19 na Chr) dat Munda 1400 stadiën verwijderd is van Carteia. We zouden dan uitkomen bij de streek van Castulo of nog verder! Strabo verkeert echter in de veronderstelling, dat Munda bij Corduba ligt. Hier zou in 45 v.C Gnaeus Pompeius tijdens de burgeroorlog heengevlucht zijn.

Onder III 4.9. komt naar voren, dat Caesar in 45 v.C in 27 dagen van Rome naar Obulco (=Porcuna) is gemarcheerd met zijn leger en verder de strijd aan te gaan bij Munda. Obulco ligt weer c.300 stadiën verwijderd van Corduba.

 

TITUS LIVIUS VAN PATAVIUM >>>> Ab Urbe Condita

 

In het jaar 214 v.C komt bij hem de plaats Munda in beeld. Eerder in dit jaar is er al strijd tussen Romeinse en Carthaagse troepen te Castrum Album (bij Alicante), bij de berg Victoria, Iliturgi en Bigerra.

Gnaeus Scipio valt het Carthaagse legerkamp bij Munda aan (boek XXIV,42):

“Bij Munda vond ongeveer vier uur lang een geregeld gevecht plaats. Hoewel de Romeinen bezig waren een eclatante overwinning te behalen, werd toch het sein tot de terugtocht gegeven: Gnaeus Scipio was door een werpspies in zijn dijbeen getroffen en de soldaten om hem heen waren doodsbang, dat de wond fataal zou zijn.....”

 

Waar ligt Munda eigenlijk? De tot dusver genoemde plaatsen liggen over het algemeen in Oost-Spanje. De overlevering van Livius gaat verder met de vermelding van de plaats Aurinx en dat is het huidige Jaèn in Zuid-Spanje. Munda kan dus waarschijnlijk aan de bovenloop van de Baetis (Guadalquivir) gelegen zijn. We zouden kunnen denken aan Montilla bij Cordoba. Overigens is een zover doordringen tot in de Baetisvlakte niet erg zeker, zo ver van hun thuisbasis in Catalonië!

 

Dan zwijgt Livius over Spanje. Er gebeurt ook volgens hem twee jaar lang niets noemenswaardig. Dat is niet geloofwaardig. De Romeinse bevelhebbers Gnaeus en Publius Scipio kunnen niet bewust al die tijd pas op de plaats gemaakt hebben.

 

Livius pakt uiteindelijk de draad van het verhaal weer op in boek XXV 32-36 en noemt het jaar 212 v.C. Gnaeus en Publius Scipio beginnen met een offensief en dringen diep in Spanje door. Eerst volgt er een confrontatie te Amtorgis (waar?--> zie mijn artikeltje daarover). Dan splitsen de Romeinen hun leger. Hasdrubal Barcas weet de Keltiberiërs tot afval te bewegen. Andobales/Indibiles komt te hulp met de Suessetanen.

Waarom eigenlijk niet met de Ilergetes, wat zijn eigen volk was? Wellicht was het een naamgenoot?

Massinissa doet goed werk met zijn Numidische ruiterij en beide resterende Romeinse legers worden volledig verslagen. Er is sprake van dat Gnaeus Scipio 29 dagen na zijn broer Publius Scipio sneuvelde. Waar dat precies gebeurde is onzeker, maar wellicht geeft Plinius een aanwijzing daarvoor. Dat getal 29 kan belangrijk zijn in een vergelijking met andere overleveringen.

 


 

Voorts is het opmerkelijk, dat Polybius het over het jaar 211 v.C heeft en Livius noemt het jaar 212 v.C. Als Polybius gelijk heeft, dan zou er mogelijk 3 jaar niets noemenswaard in Spanje gebeurd zijn. Dat is nog minder waarschijnlijk. Aan de andere kant zat Polybius 1 ½ eeuw dichter bij de gebeurtenissen dan Livius.

 

Caesar.

 

In zijn Bellum Hisp.(32,5) noemt hij de afstand van Carteia tot Munda: 1360 stadiën. Dat komt redelijk overeen met de afstand, die Strabo noemt: 1400 stadiën. Dat is dus een stuk voorbij Corduba. Daarentegen gaat Ptolemeus (2.4.9.) in de 2e eeuw na Chr. er echter weer van uit, dat deze afstand slechts 400 stadiën is en dan zitten we ten hoogste bij Montellano /Moron in de zuidelijke Baetis en dat is weer een heel stuk voor Corduba.

 

Diodorus van Agyrium.

 

Deze encyclopedist uit de 1e eeuw na Chr. houdt zich vooral bezig met Sicilië (waar hij vandaan komt), maar ook vooral met de Griekse wereld. Het voor hem verre Iberië komt maar zelden aan bod. Als hij al verre landen beschrijft, dan vervalt hij al snel in legenden en mythen.

Onder V.38 1-4 gaat hij wel in op de mijnen van Iberia. Concrete aanwijzingen omtrent Munda en de Scipio’s ontbreken echter, althans volgens het materiaal, wat mij ter beschikking staat.

 

Silius Italicus.

 

Deze dichter leeft van 26 – 101 na Chr. Hij is geen geschiedschrijver, maar toch noemt hij een aantal plaatsen, die samen met Hannibal in 219/218 v.C ten strijde trokken. Hij heeft het over het Delfische Castulo, Hispalis, Nebrissa. Carteia trok met de kinderen van Arganthonius ten strijde. Tartessus greep naar de wapenen, net zoals Munda. Corduba wachtte niet af.En dat alles onder leiding van de Carthaagse kapitein Hannibal naar de Pyreneeën.

 

Appianus.

 

Hij plaatst in het boek Iberica (16.61) tijdens de strijd van 212/211 v.C Publius Scipio te Kastalo en Gnaeus Scipio te Urso. De laatste plaats is ver gelegen in de Baetisvallei. We zullen zien, dat dat laatste hoogstwaarschijnlijk een verzinsel is.

 


 

Plinius de oudere.

 

Hij is meer een man, die de natuur beschrijft, maar af en toe noemt hij ook plaatsen, die voor de geschiedschrijving relevant zijn:

NH boek III.7:

“De Baetis ontspringt in de provincie Tarraconensis, maar niet zoals sommigen beweren bij de stad Mentesa maar in de bergwouden van Tugia, niet al te ver van de Tader die het gebied van Nieuw-Carthago bevloeit. Bij Ilorci maakt hij een bocht om het grafmonument van Scipio en zich naar het westen wendend gaat hij op weg naar de Atlantische oceaan en geeft onderwijl aan de provincie zijn naam.”

 

Plinius haalt hier een aantal zaken door elkaar. Hij beschrijft goed de plaats Ilorci (=Lorqui), maar dat ligt aan de Tader in de buurt van Murcia. De beschrijving van de loop van de Baetis is ook prima in orde, maar de lokatie van het Ilorci moet niet aan de rivier Baetis gekoppeld worden. Voor de lokatie van het graf van (Gnaeus!) Scipio zijn er nu twee mogelijkheden. Ofwel bij Ilorci(=Lorqui) aan de Tader, ofwel in de bocht van Garganta van de Baetis in de bergen van Cazorle.

 

Tot zover de overleveringen, die op zijn minst tegenstrijdig zijn met elkaar.

 

Voorlopige conclusies:

- Er zijn wellicht wel meerdere Munda’s. Een in de buurt van Cordoba en een een stuk voorbij Cordoba. Er kan zelfs een Munda als plaats en als rivier aangewezen worden. Als er al een Munda is, dan een plek voorbij Cordoba.

- De overleveringen betreffende de avonturen van de Scipio’s moeten met een zwaar korreltje zout genomen worden. Ze zullen nauwelijks in staat zijn geweest om tot in de Baetisvallei door te dringen.

- Het getal van 27 of 29 dagen zou wel eens een eigen leven hebben kunnen gaan leiden.

- Polybius lijkt de meest betrouwbare, zij het summiere,   overlevering te geven. De anderen schrijven veelal van hem over, of verzinnen er maar wat bij.

 

 

 

 

 


 

Hoe denken enige hedendaagse auteurs over deze zaken?

 

Er zijn diverse auteurs, die gewoon de mening van de klassieke auteurs volgen, of althans dat neutraal berichten, zonder er echt commentaar op te geven. Er zijn er een paar, die wel veelal kritisch commentaar geven. Een paar voorbeelden:

 

Caven
Lancel (boek 128)
Seibert (boek 287)
 
 
De Romeinse overwinningen bij Iliturgi en Intibili in 215 v.C zijn verzinsels
 
 
De Romeinse opmars in 214 v.C naar Castulo, Bigerra, Munda, Aurinx zijn verzinsels
 
 
In 213 en 214 v.C was de Romeinse positie zo zwak, dat men zich alleen nog in Catalonië kon weren en dat men niet van de afwezigheid van Hasdrubal’s leger kon profiteren
Gnaeus bevindt zich bij de Tader
Gnaeus sneuvelt bij Ilorci
 
Publius gaat in de richting van de boven-Baetis
Publius komt tot Castulo?
 
 
 
Hij spreekt over 28 dagen tussen het sneuvelen van Publius en Gnaeus Scipio
 
 
Publius wordt minder gunstig afgebeeld en Gnaeus Scipio krijgt de heldenrol in de Romeinse overlevering

 

 

 

 

 

 

 


 

En hoe was het nu werkelijk?

 

Dat valt dus met geen mogelijkheid te zeggen. De klassieke auteurs, die zorgden voor de overleveringen, hebben er een puinhoop van gemaakt. We kunnen hoogstens een vermoedelijke reconstructie ten beste geven. De beginvraag, of er toch niet sprake is van enige verstrengeling en verwarring kan in ieder geval bevestigend beantwoord worden.

 

☺ Polybius rept niet over de plaats Munda in het jaar 214 v.C. We mogen gevoegelijk aannemen, dat de Romeinse ‘overwinningen’ in dat jaar via de plaatsen Castulo, Bigerra, Munda en Aurinx verzinsels zijn. De Romeinse positie was zo zwak, dat ze de Ebro-lijn konden houden en in het gunstigste geval hun posities tot (en met) Saguntum. We kunnen ook vraagtekens plaatsen bij hun eerdere overwinningen bij Iliturgi en Intibili. Die plaatsen moeten we overigens zoeken in de streek net over de Ebro en zeker niet in de Baetisvallei.

 

☻ Het preciese jaar van de ondergang van de broers Scipio is wat minder van belang. Het is dus 212 of 211 v.C. Ook hier neig ik overigens naar de overlevering van Polybius.

 

♥ Het begin van de dubbelslag. Zo dom om hun strijdkrachten te splitsen. Daar geloof ik dus niet in. Het heeft er eerder de schijn van, dat de broers Scipio verrast werden met de vijandelijke opmars en de vijanden plots zo dichtbij en dat ze gewoon de tijd niet meer hadden om bijtijds hun troepen te verenigen.

 

♦ Lokatie aan het begin van de dubbelslag. De positie, die Appianus noemt voor Publius (te Kastalon) zou wel eens waar kunnen zijn. Dat maakt ook de aanwezigheid van Andobales een stuk verklaarbaarder. Gnaeus zat waarschijnlijk een stuk zuidelijker aan de Tader. Hier moet dus ook Amtorgis hebben gelegen, als de naam al niet verzonnen is. Als de naam werkelijk heeft bestaan en dus ook de plaats, dan moeten we die veel westelijker zoeken in de richting van het bestaande Conistorgis in Zuid-Portugal of Huelva-regio. Dan wordt ook weer een tocht van 29 dagen veel meer waarschijnlijk.

 

♣ In de streek tussen Kastalon en de Ebro moet Publius Scipio zijn grote nederlaag geleden hebben, wanneer hij Andobales komende vanaf de Ebro ontmoet. Hij wordt achterhaald door Massinissa en tenslotte door Hasdrubal Gisgo en Mago Barcas.

 

♠ Ergens aan de bovenloop van de Tader, of een andere zuidelijker gelegen rivier, bekruipt Gnaeus het gevoel, dat Publius iets is overkomen en hij tracht terug te komen. Dat doet hij via de bergen parallel aan de rivier, totdat hij door iedereen bij wellicht Ilorci (=Lorqui) achterhaald wordt en volledig wordt vernietigd. Dit zou 29 dagen na het sneuvelen van Publius zijn gebeurd. Zo’n lange tijd lijkt niet erg waarschijnlijk.

 

• Tijdens de burgeroorlog bijna twee eeuwen later komt Caesar met zijn leger in 45 v.C naar Obulco (=Porcuna). Hij heeft 27 dagen nodig voor het traject Rome – Obulco. Dit tijdvak lijkt wel erg op de 29 dagen tussen de beide Scipio’s! Het kan toeval zijn, maar het kan ook ‘overgeschreven’zijn naar welke kant dan ook.

 

◘ Caesar verslaat vervolgens Gnaeus Pompeius te Munda, dat op 300 stadiën van Corduba ligt. Dit Munda moet waarschijnlijk ten noordoosten van Cordoba hebben gelegen. Caesar noemt niet voor niets het traject Carteia -> Obulco. Dus moeten we Munda in diezelfde richting zoeken.

 

○ Dat er een Gnaeus Scipio is en een Gnaeus Pompeius. Daar geloof ik dus wel in. Er waren vele Romeinen met de voornaam Gnaeus.

 

Met andere woorden: er zijn heel wat verzinsels in de overleveringen geslopen. Het is allemaal eenvoudiger, dan is voorgesteld.

 

H.R.van Diessen

Apeldoorn, 2009.