donderdag 22 januari 2015

Wegwijs3

Ceterum Censeo.
Een reisbezoek van J.Rentes de Carvalho aan Carthago. Hij wenste door het lezen van het boek van Flaubert (Salammbo) vurig de stad te zien. Het werd een deceptie. Tenslotte wierp ik een laatste blik op de mistroostige verlatenheid en klom ook de helling op naar een verfrissing en de bus, die me vandaar zou wegvoeren.
53.8               Ceterum Censeo                                       J Rentes de  i.e.v.v:Harrie Lemmens
                                                                                              Carvalho                             Artikel reisverslag

Je moet ook oog voor het Fenicische verleden hebben. Ga niet op zoek naar kolossale tempels. Die zul je niet vinden. Een eenvoudige steen is al wat je deel zal zijn. En dan je verbeeldingskracht aan het werk zetten. Als je geluk hebt, dan zit er in zo’n steen misschien wel een gat en heb je mogelijk wel te maken met een anker. Zoiets overkwam me op een strand aan de zuidoostpunt van Spanje.  Hij was te zwaar om te vervoeren, maar ik weet nog de exacte lokatie op de meter nauwkeurig. Je moet ook niet naar de bekende toeristische plekken gaan, maar je eigen route uitstippelen, zoals:

UTICA
Op een warme dag in het jaar 1982 reed ik van Tunis naar het noorden. Ik had net de grote desillusie van Carthago achter de rug. Ondanks het feit, dat je van tevoren weet, dat er haast niets tastbaars meer boven de grond te traceren valt, is toch de daadwerkelijke optekening op het netvlies daarvan een schok van jewelste. De grootste of één van de grootste oorlogsmisdaden van de oudheid werkt nog steeds door bij het barre zien daarvan.
Ik heb het kroost achtergelaten op de hete stranden van Neapolis en ga opnieuw op excursie naar de restanten van een beschaving, die mij altijd heeft geïntrigeerd. Naast Carthago waren er meer Punische steden in Noord‑Afrika. Neapolis of het moderne Nabeul was er ook zo een. Mijn tent staat opgeslagen op het terrein van het oude Neapolis. Mijn kinderen hebben er geen weet van, dat ze op historische grond bivakkeren, maar weten wel, dat vader zonodig op expeditie moet. Het wordt heet op deze dag.
Na de heuvels benoorden Tunis komt de verzengende vlakte van de rivier de Medjerda in zicht met aan de einder een nieuwe heuvel. De rivier wordt gepasseerd en dan even later volgt de stoffige zijweg naar Bordj & Henchir Bou Chateur of Bû Schâter. Het is inmiddels ongemeen heet geworden op het midden van de dag. Met moeite bereik ik het begin van het dorp en kan nog net een bordje ontwaren, dat me naar een museum leidt. Ik heb mijn eigen fysieke mogelijkheden overschat. Kon ik in Carthago nog wegvluchten in een restaurant en om 'arba' te smeken; nu is iets dergelijks in geen velden of wegen te bekennen. Ik strompel uit de auto naar de schaduw toe en probeer bij te komen. Het is over de 40 graden Celsius. Naast de deur van het museum vind ik enige schaduw en zak ineen. Na enige tijd en misschien wel langer voel ik een hand op mijn schouder. Een Tunesiër bevindt zich gehurkt voor mij met een schaaltje water en wat vruchten. Hij lapt me weer op. We verstaan elkaar nauwelijks, maar na enige tijd heb ik door, dat hij de beheerder van het museum is. Hij begrijpt nu ook, dat ik zomaar geen toerist ben, maar dat ik alles weten wil van het museum. Hij leidt me rond en ik kan overal foto's van maken. In de sarcofaagjes huizen salamanders en spinnen. Na enige tijd ben ik enigszins hersteld en maak aanstalten om verder de plaats te verkennen. De beheerder raadt het me af, maar ik ben er nu eenmaal en zal de plaats ook zien ook. De goede man geeft me nog wat dadels en een fles water mee voor onderweg en ik geef hem wat geld, waar hij maandenlang van zal kunnen leven. Onder een parapluie strompel ik door het antieke Utica en herken onmiddellijk alles waarover ik in het verleden gelezen heb. Ondanks het feit, dat ik af en toe dreig flauw te vallen, kom ik tot het 'eiland' en de necropool. De inderdaad perfecte graf‑vierhoeken zijn bevuild met afval en poep. De Romeinse muren en bastions zijn duidelijk aanwezig. De weg terug naar de heuvel is een golgotha ervaring. Halverwege ligt een dode hond, die nauwelijks zichtbaar is vanwege de horde vliegen. Ik redt het net terug naar de auto en de beheerder zit meewarig voor zijn deur naar mij te kijken. Groot is zijn verbazing als ik nog twee keer er op uit trek om zoveel mogelijk te zien en vast te leggen. Ik schiet een paar fotorolletjes vol.
Er leven overigens niet veel mensen meer in Utica in 1982. Ze hebben een deel van de Romeinse overblijfselen benut voor provisorische huizen. Onderweg komen er ook nauwelijks mensen op dit uur van de dag naar buiten. Alleen wat kippen kruisen het pad van deze avonturier.
Er zijn ook geen archeologen te ontdekken, want die kiezen begrijpelijk het winterseizoen voor hun onderzoeken. Aan het eind van de dag voel ik het contrast tussen het Carthago met zijn moderne vila's en het Utica met zijn schamele behuizingen nu des te schrijnender. Het is tekenend voor deze oudste stad van de Feniciërs in Noord‑Afrika. Op de terugweg in de naderende avond naar Tunis en verder is er even tijd om tot bezinning te komen. Ik neem mij voor ooit een boek te schrijven over dit van god en al verlaten oord, waarvan de Fenicische naam niet eens met 100% zekerheid bekend is. Wel weten we de Griekse naam "Ityke" en de Latijnse vorm "Utica". De Fenicische letters zouden ' T G (=de oude), of ' T K (=station), de
l uisterrijke/prachtige of eenvoudigweg de kolonie kunnen zijn.
Na 17 jaren is het er dan eindelijk van gekomen. Het boek is in de koude Hollandse winter van 1998/1999 gemaakt, al was het alleen maar uit piëteit voor de ouderdom van de stad, uit dank voor de beheerder van museum en als herinnering aan een fantastische werk‑vacantie in Tunesië.
Overigens zal in dit boek voor het gemak zoveel mogelijk de meest bekende naam Utica worden gebruikt.
Utica, Henk van Diessen, Apeldoorn, 1999.

Je moet bijvoorbeeld ook gaan zoeken achter of onder de bestaande facades van onze huidige urbane samenleving en daar weer de verbeeldingskracht de vrije loop laten:Cadiz.
Het was in de zomer van 1986, dat ik voor het eerst Càdiz bezocht. Ik was onmiddellijk in de ban van de grootsheid van deze stad, die als een gigantisch containerschip voor anker ligt op de rede van Zuid‑Spanje. Kilometers lang strekt zich een lang smal eiland uit, haast parallel met de kust van het vasteland en haaks op de monding van de Rio Guadalete. Ik noem het nog steeds een eiland, ondanks het feit, dat talloze bruggen en dammen het inmiddels verbonden hebben met het vasteland. Het oogt nog steeds als een eiland met op de voorsteven de oude stad, doordrenkt van vis‑ en zeelucht. Via de Punta Candelaria kom ik op de Plaza de Mina terecht, maar het archeologisch museum aldaar is in reconstructie. Mijn rondgang door de oude stad langs het Castillio de Santa Catalina, de Puerta Caleta wordt afgesloten bij de Plaza de la Catedral.
Het middendeel van het lange eiland wordt in beslag genomen door de containers. Met andere woorden de moderne flatgebouwen. De achtersteven ziet er nog ongeveer uit, zoals het vroeger is geweest. Het lange lage zandige eiland zinkt langzaam weg in de Atlantische oceaan. In het kielzog van de gigant ligt nog een kleine oprisping. Het is maar de reddingssloep Sancti Petri met daarop het heiligdom van Melqart, of wat daar van over is. Ondanks de vriendelijke aanwijzingen van Hermanfrid Schubart wist ik toen niet veel meer dan dat mogelijk 3000 jaar eerder Fenicische zeevaarders hier aan wal kwamen om er een stad te stichten. Sindsdien heb ik mij voorbereid om veel beslagener ten ijs te komen voor een volgend bezoek.
Dit jaar ben ik weer terug geweest in Càdiz. De moderne tijd overwoekert meer en meer het lange eiland met snelwegen, spoorlijnen, havenwerken en industriecomplexen. De oude stad lijkt nog goeddeels intact gebleven te zijn. Het museum op de Plaza de Mina is nu toegankelijk en veel waarover ik ondertussen gelezen heb, kan ik nu terugvinden. Ik weet nu wat er schuil gaat achter de namen van Calle de Capuchinos, Concepcion Arenal, Puerta de Tierra, Santa Maria del Mar, Ciudad del Santander en Campos Eliseos. Zelfs op de Plaza Asdrubal zie ik de uit de bouwput in veiligheid gebrachte genummerde stenen liggen.
De opgedane historische kennis, de geografische onderlegdheid en de inmiddels vergaarde topografische bekendheid hebben geleid tot een vracht aan informatie, waardoor dit boekwerk er wel gewoon moest komen.
76.1        Gadir                                   H van Diessen   NCPHP, Apeldoorn, Einde van de wereld              1999

Ik ben niet de enige geweest, die zo op zoek is geweest naar de ontbrekende schakel. Enige andere voorbeelden:

Het Punisch van Nostradamus.
Zijn voorspellingen worden door maar weinig mensen serieus genomen. Toch schrijft deze merkwaardige figuur, die door koningen en andere belangrijke personen werd geraadpleegd, dat hij zich beroept op de PUNISCHE KRONIEK.
“En hun taken zullen dooreen gemengd worden met die van de Latijnen en de Arabieren door middel van de Punische verbindingsweg in een grote vereniging.”
Bij Nostradamus moeten we terug gaan naar 27 juni 1558 na Chr te Salon in de Provence. J.Scaliger (1540-1609) moet zich nog gaan verdiepen in de Feniciërs. J.Selden moet in 1617 nog komen met zijn De Diis Syriis. S.Bochart van Caen (1599-1667) is pas de eerste die baanbrekend werk in de studie naar de Feniciërs begint. W.Genesius van Halle (1785-1842) zet de Fenicische taal pas een beetje fatsoenlijk op een rijtje. Hallo! Wakker worden! Hier is met Nostradamus dus echt iets meer aan de hand, dan alleen een figuur, die verhaaltjes uit zijn duim aan het zuigen is!
De “Punische” teksten van Nostradamus:

I,9 Uit het oosten zal het Punisch hart komen.

Het zal Hadria en de erfgenamen van Romulus boos maken.
Het zal vergezeld zijn van de Lybische vloot.
De Maltenzer tempels en de nabije eilanden zullen leeg zijn.
II,29 De oosterling zal uit zijn zetel gaan.
Hij trekt de Apenijnse bergen over om Gallië te zien.
Hij zal de hemel, de wateren en de sneeuw doortrekken,
en hij zal ieder slaan met zijn roede.
II,30 Eén, die de helse goden van Hannibal zullen doen herboren worden,
zal zijn de vrees van de mensen:
Nooit wisten de dagboeken meer vreselijks te zeggen,
dan hetgeen door Babel de Romeinen zal overkomen.
II,60 Het Punische geloof in het Oosten wordt verbroken.
De stad Ganges, de Indie, de Rhône, de Loire en de Taag zullen veranderen
wanneer de honger van de muilezel verzadigd zal zijn.
De vloot is verspreid. Bloed en lichamen zullen zwemmen.
II,78 De grote Neptunes uit de diepten van de zee
met Punische lieden en Gallisch bloed vermengd.
De eilanden baden in bloed door het trage roeien.
Het zal hem meer schaden, dan het verborgene, dat slecht verborgen is.
II,81 Door het vuur des hemels wordt de stad bijna verbrand.
De urn bedreigt nog weer Deucalion.
Sardinië wordt gekweld door een Punisch schip,
nadat de Weegschaal zijn Phaëton zal laten gaan.
III,93 Het gehele bestuur van het grote rijk zal in Avignon
stil staan vanwege het verlaten Parijs.
Tricast zal de toorn van Hannibal tegenhouden.
Lyon zal voor de verandering slecht getroost zijn.
IV,94 In 500 jaar zal men geen rekening meer met hem houden,
hij, die het sieraad was van zijn tijd.
Hij zal vervolgens opééns grote helderheid brengen,
zodat die tijd hen zeer tevreden zal doen zijn.
V,20 Over de Alpen zal een groot leger trekken.
Kort tevoren zal een /? Monster geboren worden.
Op wonderbaarlijke en plotselinge wijze zal
de grote Toscaan dichter naar zijn plaats terugkeren.
V,58 Van het aquaduct van Uticense zal Gardoing
door het woud en de berg ontoegankelijk zijn.
Midden op de brug zal hij worden verslagen met de vuist.
De leider Nemans, die zo vreselijk zal zijn.
VI,85 De grote stad van Tarsus zal door de Galliërs
worden verwoest; allen zullen gevangen genomen worden te Turban.
Hulp komt overzee van de grote Portugees
op de eerste zomerdag, de dag van de heilige Urbanus.
VI,99 De geleerde vijand zal zich in verwarring omkeren.
Een groot legerkamp is ziek en vernietigd door hinderlagen.
De Pyreneese bergen en Fenicië zullen hem geweigerd worden,
terwijl men dicht bij de rivier oude rotsen ontdekt.

De wereld wil misschien graag bedrogen worden, maar hij kende in ieder geval wel zijn klassieken.
          78.13.  De profetieën van          W.L.Vreede          Amsterdam 1981
                  NOSTRADAMUS                                    Schors            [alleen de passages m.b.t.  de Feniciërs/Puniërs].

Aubrey Menen zoekt een paar eeuwen later ook de Feniciërs:
69.10.Ruïnenstädte der Antike, Aubrey Menen.
Menen bezoekt menige puinhoop van de Feniciërs en Puniërs en komt tot wat merkwaardige conclusies. De Joden waren de armeluizen binnen het Semietische volk. Tyrus en Sidon waren juist de rijken. Naast de Arabieren waren de Feniciërs het enige Semietische volk, dat aan de zeevaart deelnam.  Hun rijke winkel moet wel door aasgieren geplunderd worden. De Indische connectie voor wat betreft de herkomst is niet zo verwonderlijk getuige de afkomst van deze schrijver.

Soms raken we het spoor ook werkelijk  helemaal bijster of misbruiken we namen uit de oudheid, die iets mysterieus hebben:

Hannibal-the-Cannibal.
Een pakkende titel voor een enge film, waar weer de naam Hannibal in opduikt. Thomas Harris noemt zijn hoofdpersoon het grootste fictieve monster van onze tijd.

Hoedt U in het algemeen voor de naam Hannibal. Met het lezen van een boek over Hannibal bent u er nog lang niet. Hij was maar een kleine zandkorrel in de woestijn. Ongetwijfeld was hij een belangrijk veldheer, maar er waren er van Carthaagse zijde nog veel meer van zulke krachtpatsers. Op een of andere manier is de Hannibal vanuit de 2e Punische oorlog in de geesten van de huidige mens blijven hangen. En helaas wordt hij zo vaak ook nog eens verkeerd neergezet, zoals:

Zoveel fouten.
De documentaire TERROR OF ROME staat vol met fouten of gewaagde uitspraken. “De grootste vijand van het Romeinse rijk was Hannibal, een generaal uit Carthago, die met zijn leger de bezetting van zijn land in Europa kwam wreken”. Bijvoorbeeld deze kort door de bocht informatie.
          97.3.   Terror of Rome                            Discovery Channel
                  [registratie van fouten]                  + video

Let ook op bij het gebruik van de naam Carthago. Daar kan van alles achter zitten, want dat heeft ook zo’n magische klank en men gebruikt het voor van alles:

De herrijzenis.
Zomaar een roman, die een titel nodig had. Mijn boek had net zo goed Othello herrezen kunnen heten, zegt de schrijver dan ook.
          78.5.   Carthago herrezen          D.van Babylon       Manteau,Antwerpen
                                                                 Amsterdam 1967

Soms maken we van de nood een deugd.

Catacomben.
Tunesië heeft er weer een toeristische attractie bij. Het betreft deze keer wel een christelijke begraafplaats te Monastir, maar de plaats is vanuit de Punische tijd al bekend.
          79.12.2.Catacomben in Tunesië / Lepti minus

El Kef.
Alexander Bakker beschrijft de plaats El Kef in het binnenland van Tunesië met zijn waterbron. In de stad is nog een kleine synagoge. In de kasba ligt poep. De plaats was echter al uit de Punische tijd bekend. In 240 v.C verzamelden zich er de huurlingen van Carthago, waarna een gruwelijke opstand zou volgen.
          79.12.3.Kikkers in verschroeid laagland / El Kef  Alexander Bakker