woensdag 9 december 2015

EURIPIDES

EURIPIDES

Phoinissai
K.H.de Raaf: De Phoinikische Maagden

Euripides werd in 480 v.C geboren en stierf in 405 v.C. Hij leefde lange tijd in Athene. Hij schreef veel toneelstukken. In een daarvan (Phoinissai) laat hij een koor opdraven van Fenicische meisjes. Waarom?
-         Het betreffende stuk speelt zich af in en rond Thebe en dat heeft een legendarische Fenicische achtergrond;
-         Vreemdelingen kunnen eerder kritiek hebben op het handelen van Griekse mensen en goden dan de Grieken zelf.

Wat zeggen de Fenicische meisjes eigenlijk. Het ‘ouderwetse’ Nederlands is van K.H.de Graaf, maar eigenlijk best wel passend bij zo’n nog veel ouder Grieks treurspel.

Tyros’  zee verlatende ging ik,
uitgekeurd offer voor Loxias,
weg van het Phoinikische eiland,
dienares voor de tempel van Phoibos,
waar die zich vestigde aan den voet
van Parnas met zijn sneeuwige toppen;
voer met een schip door de Ionische zee,
terwijl boven ’t barre vlak dat er stroomt
om Sikelia heen, Zephyr reed door de lucht
op zijn vlagen: een heerelijk ruischen!

Loxias is een andere (bij)naam voor Apollo. Loxos betekent: schuin. indirect. Dit was een van de belangrijkste Griekse goden. Hij was o.a. bekend als de Pythiër: de god van de orakelplaats Delphi, waar hij het orakel aan de aardgodin Gaia ontfutselde. Hier zou hij ook de draak Pytho hebben gedood.
Phoibos of Phoebos betekent: “de stralende” en dat is ook een bijnaam van Apollo.
Parnas staat voor de Parnassos: een gebergte ten noorden van Delphi met een hoogte van c.2500 meter en dit was de zetel van Apollo.
Sikelia = Sicilië, ook wel Trinakria genoemd.
Zephyr=god van de wind.







Uitverkorene van mijne stad

als schoonste geschenk voor Loxias,
betrad ik den grond van de Kadmeeërs,
dat edele kroost van Agenoor,
herwaarts gestuurd naar de veste van Laïos,
die aan mijn vorsten verwant is.
Gelijk de beelden van goud gesmeed
werd ik tot Phoibos’ dienst gesteld.
Nog wacht mij Kastalia’s water,
om te doopen de pracht van mijn maagdelijk haar
voor den hoogen dienst van Apolloon.

Agenoor: Zoon van Poseidoon en Libya. Van Egyptische afkomst. Hij wordt koning in Fenicië Zeus schaakt zijn dochter Europa. Agenoor stuurt o.a. zijn zoon Kadmos er op uit om Europa te zoeken.
Kadmeeërs: Kadmos en zijn nazaten. Kadmos brengt het schrift naar de Grieken bij Thebe. Dan nog de plaats Tanagra. Zijn nazaten zijn o.a.Labdakos, Laios en Odipoes. De historische kern van de sage verwijst wellicht naar de komst van Semieten in Griekenland.
Laïos is een afstammeling van Kadmos en de eerste man van Iokaste, zoon van Oidipous.
Kastalia’s water is de  aan Apollo gewijde Kastalische heilige bron aan de voet van de Parnassos nabij Delphi.

O berg, uitstralend met dubbelen top

uw vuurglans boven de rotsen
die toegewijd zijn aan Bakchos,
en wijnstok van Dionysos, gij
die dagelijks druppelt, rijk-trossig de druif
uitschietend aan jeugdige ranken,
en godlijke spelonk van den slangedraak,
en bergen, wachttorens der goden, besneeuwde en heilige hoogten!
O, mochten wij, de Dirke ontvlucht,
buiten vreeze, als koor der Onsterfelijke
Maagd en Godinne dansen den rei
bij Aarde’s navel, het hol van Phoibos!

De dubbele top van de berg Parnassos schrijft Euripides toe aan de fakkels van de Maenaden, die daar hun god Dionysos vereerden. Elk derde jaar, als de kortste dag is gekomen en het kritieke punt bereikt wordt, waarop de duisternis over het licht schijnt te zegevieren, dan gaan in de nacht de vrouwen met brandende fakkels het gebergte in. Bakchos of Bacchus is een andere naam voor Dionysos. Het is oorspronkelijk een oosterse vruchtbaarheidsgod met een speciale verbinding naar de wijn. De Bacchanten zijn de vrouwen uit het gevolg van Dionysos/Bakchos. Door lawaai van ketels en pauken raakten zij in extatische uitgelatenheid bij nachtelijke vieringen op de bergen onder de schijn van brandende toortsen.
Dirke:rivier in Boeotië. Een draak bewaakte de bronnen van de Dirke.


Maar thans voor deze muren kwam,
woedend aanstormend, Ares en stookt
in Thebai’s stad het bloed tot den strijd.
Och, of dit niet mocht geschieden!
Want vrienden zijn één in hun nood;
de zeven-poortige stad
is, als haar leed overkomt,
één met het Phoinikische land, wee, wee!
Eén het bloed en één het geslacht
dat ontsproot aan hoorndraagster Iö.
Hunne rampen gaan mij ter harte.

Ares is de krijgsgod.
Thebe (Thiva) heeft zeven poorten. Het getal zeven gold in de Oudheid als een heilig of bijzonder getal. Hier slaat het waarschijnlijk op Polyneikes, die met de hulp van zes prinsen Thebe tracht te heroveren (Aischylos in: de zeven tegen Thebe 467).
Euripides legt een directe relatie tussen Thebe en Fenicië, want de Fenicische meisjes  klagen ach en wee en zien het land Fenicië en de stad Thebe als één geheel.
Io is de dochter van de koning van Argos (Inachos).Zij wordt de geheime vrouw van Zeus en ze wordt vereenzelvigd met Isis. Zij wordt geschaakt door de Feniciërs.

Er bliksemt rond deze stad

van schilden een dichte wolk:
voorteeken van bloedigen strijd,
dien Ares weldra blijken zal
te brengen den kindren van Odipous
als der Erinyen onheil.
O Argos van de Pelasgen, ik vrees
uw macht en ’t beschikken der goden,
want niet in strijd met het recht voorwaar
stormt gewapend naar deze kamp
wie zijn deel van het vaderhuis opeischt!

Oidipous is de zoon van Laios en huwt zijn moeder Iokaste. Zie het treurspel van Sophokles.
Hij doodt zijn vader. en wordt koning van Thebe.
Erinyen: wraakgodinnen uit de onderwereld met vleugels. Zij hebben fakkels, slangen en de zweep om af te ranselen. Hun goddelijke wraak komt vooral naar voren wegens zonden tegen familieleden.
Argos van de Pelasgen: Pelasgos is de oudste koning van Argos. De Pelasgen worden gezien als de eerste bewoners van Argolis..







Phoinika is mijn vaderland; daar groeide ik op.
Nazaten van Agenoor zonden ons hierheen
voor Phoibos, als het beste van den oorlogsbuit;
 maar juist nu Oidipous’beroemde telg beraamt,
ons naar ’t eerwaarde orakel en het brandaltaar
van Loxias te zenden, zijn naar deze stad
de Argiven opgetrokken ter belegering.
Zeg thans op uwe beurt mij wie gij zijt, die kwaamt
ter vesting zevenmondig der Thebaanse stad.

Argiven: de mensen van Argos.
Het koor maakt zijn afkomst bekend aan Polyneikes, een van de kinderen van Iokaste. Het wordt duidelijk, dat zij door de oorlogshandelingen gestrand zijn bij Thebe.

O stamverwantschap van Agenoors nageslacht,
mijn koningen, door wie ik hier gezonden ben!
De zeden van mijn land eerbiedigend
val ‘k op mijn knieën voor u neer, o vorst!
O, eindelijk dan kwaamt ge weer in uw land!

Hei, hei, eedle vrouw, kom buiten ’t paleis,
breid open de deuren der poorte!
Hoort gij, die hem baarde, zijn moeder?
Wat draalt gij te gaan door de hooge zaal
en uw kind te sluiten in de armen?

Grieken vielen kennelijk niet op hun knieën voor hun vorsten, maar de Feniciërs dus wel.

Voor vrouwen is het barenswee iets machtig groots.
Zoo heeft ook elke vrouw wel liefde voor haar kind.

Het koor levert slechts een kort commentaar als een onderbreking in het gesprek tussen moeder Iokaste en zoon Polyneikes.

Zie, daar komt ter verzoening vorst Eteokles.
Iokaste, moeder, ’t is uw taak thans, zulk een woord
te spreken, dat ge uw kindren tot elkander brengt.

Het koor spoort de Grieken aan hun geschillen bij te leggen!





Ofschoon niet op Helleenschen bodem grootgebracht,
vind ik, dat gij tenminste spreekt met juist begrip.

Koor: We zijn dan wel geen Hellenen, maar wij vinden, dat Polyneikes…..
M.a.w.: we hebben er eigelijk niets mee te maken, maar Polyneikes heeft wel een punt.

Bij daden die niet goed zijn, past mooi praten niet,
want dat’s niet maar kwetst ons rechtsgevoel.

Het koor komt in de rol van een soort rechtscollege. Het neigt ernaar om Polykleites gelijk te geven.

O goden, wilt afwenden zulk een ongeluk

en schenkt verzoening aan het kroost van Oidipous!

De Fenicische meisjes zien de bui al hangen. Verzoening kan alleen nog door de goden worden afgedwongen.

Kadmos kwam uit Tyros hier

naar dees landstreek, waar een viervoet,
een nog nooit gejukte vaarze,
ter vervulling van het orakel
op den grond zich neervlijde.
Daar verlangde Phoibos dat
hij zich vestigde in de vlakten
der Aonen, rijk aan tarwe,
waar de heerlijke rivier,
Dirke’s stroom, bevloeit de beemden,
groen van spruiten, dik van graan.
Bromios werd daar geteeld,
toen zijn moeder Zeus omhelsde,
hij, dien, kind nog, plotsling klimop,
kransen vlechtend heeft gezaligd
door met groene schaduwloten
hem te dekken. Bakchos eerend
treden sinds ten reidans
Thebai’s maagden en de vrouwen,
jubelend haar EUIOI.

Aonen: de oudste bewoners van Boeotië.
Bromios:




Daar was ’t felle, moordend draakbeest,
Arès’ zoon, de wilde wachter,
die de waterrijke bronnen
en den groenen stroom bewaakte
met de appels van zijn ogen,
die hij draaide te allen kant,
welke Kadmos, die zijn handen
kwam zuivren vóór het offer,
met een rotsblok ’t wreede hoofd
heeft vermorzeld, hoog zijn armen
voor het doodend werpen zwaaiend.
Op den raad van Pallas,
’t Zeuskind, dat geen moeder heeft,
zaaide hij de tanden,
op den grond gevallen,
over ’t vruchtbaar akkerland,
waabop de aarde voor zijn oog
mannen uitschoot, zwaar gewapend,
over het oppervlak des bodems.
Maar het moordend zwaard gaf hen terug aan moeder aarde,
bestroomend met hun bloed haar die hen had getoond
aan hemels zon-doorkoesterde winden.

Nu, weleer geboorne
uit stammoeder Io,
Épaphos, o Zeus-ontsprotene,
roep ik U aan, roep met uitheemsch geluid,
ach, met uitheemsche gebeden:
Kom toch, kom naar dit gebied.
’t Was uw nakroost dat hier bouwde.
Dit ook koos zich uit tot woning
het vermaard godinnen-paar
Persephassa en de lieve
Dàmater, godinne,
zij die over allen heerscht,
Aarde, zij die allen voedt.
Zend ze, beide fakkeldraagsters,
die godinnen, help dit land!
Niets is voor de goden moeilijk!




De stichting van Thebe door Kadmos wordt verteld. Het koor roept de stamgod Epaphos, zoon van Zeus en Io, aan om hulp te geven aan de stad. Dat moeten de beschermgodinnen Demeter en Persephone gaan doen.
Niet de Grieken roepen de goden aan ter bemiddeling, maar uitheemse geluiden!
Demeter is de godin van akkerbouw. Demeter stelt Euripides gelijk aan de Aarde (=Gè). Demeter zou dus Gèmeter zijn en dat betekent Aarde-Moeder.

O leed-brenger Ares, waarom toch zóózeer
verslingerd op bloed en op dood, tot een wanklank der feesten van Bakchos?
Niet bij den heerlijken rei van bekranste bloeiend maagden,
zwaaiend breed uwe lokken onder het blazen der rietpijp,
zingt gij een lied waarin Chariten nooden ten reidans,
maar met gewapende mannen het leger van Argos inblazende
bloeddorst, leidt gij vóór Thebai den optocht, geheel zonder fluitmuziek!
Niet in een herte-vel, dol door den thyrsos, wendt gij in ’t rond den voet,
maar met wagens en teugels den vierganger, ’t éénhoevig strijdros,
en bij den stroom van de Ismenos
rent gij met ruiterij, tegen het Sparten-volk
de Argeiers ophitsende,
dien feeststoet, voorzien van wapens en schilden,
op stormend tegen het muurwerk der vesting. –
Vreeslijk voorwaar is de godheid Twist,
die zulk een onheil bereidt voor de koningen,
Labdakos’ huis, ’t veel beproefde.

O woud, vol van wild, met uw goddelijk loof,
appel van Artemis’ oog, gij sneeuw-gevoerde Kithairoon!
Hadt gij toch nooit de ten doode veroordeelde vrucht van Iokaste,
Oidipous, grootgebracht, den als kind uit dees huizing verstoot’ne,
hem die met goudene speld zich geteekend heeft.
Was het gevleugelde maagdelijk monster, de Sphinx, van ’t gebergte,
niet tot rouw van dit land met haar wreede gezangen gekomen,
die, onze muren genaderd, eens Kadmos’kroost met vier klauwen
voerde naar ’s hemels onnaakbare licht! Zij werd den Kadmeeërs
toegezonden door Hades, den god van de diepten der aarde.
Nu is groeiende onder de zonen van Oidipous andere moeite,
heilloos voor deze huizinge en voor de stad,
want is iets wààrlijk  niet goed, nimmer ook werd het ooit goed,
ook niet de kindren, de onwettig geborenen,
’s vaders bezoedling, geteeld bij een moeder,
die ging te bedde met den bloed-eigene!

Gij hebt gebaard eens, gebaard, o land,
naar ik tehuis als bericht uit den vreemde eens hoorde, eens hoorde,
de uit de tanden des wilden roodkammigen draaks voortgesprotene
teelt van gewapende mannen, dien schoonsten roem der Thebanen.
Eens, lang geleden, begaven de hemelsche goden
zich naar Harmonia’s bruiloft en toen, bij de lier en den cither
van Amphioon verrezen de muren van Thebe en haar torens
midden tusschen de loop der tweelings-rivieren,
waar de Dirke de spruiten-voedende vlakte
naast de Ismenos bevochtigt.
Stammoeder Io, met horens gekroond,
baarde de vorsten van Kadmos’ veste.
Nu, na duizenden roemrijke daden,
om beurten een andre, staat deze stad
op d’allerhoogsten top
en strijdt voor de kransen van Ares.

Het koor beschrijft de tegenstelling tussen de daden van de wrede krijgsgod Ares en de feesten van de god Bakchos. Voorts komt er een klacht over het toch in leven blijven van de vondeling Oidipous en de kinderen van hem, die zoveel onheil over de stad Thebe hebben gebracht. De sfinx wordt een ogenblik gememoreerd en verder de Sparten, ontstaan uit de tanden van de draak. Het huwelijk van Harmonia en Amphioon wordt bezongen, de bouw van de muren en de ontwikkeling van de stad tot dit hoogtepunt.
De thyrsos is een staf gekroond met een pijnappel.
De Ismenos is een rivier, die oostelijk van Thebe stroomt.


Voorafgaand aan volgend kort commentaar van het koor speelt zich een gesprek af tussen een vader Kreoon en zijn zoon Menoikeus. Er is sprake van een orakeluitspraak, waarbij de vader de keuze heeft: red of uw zoon, of red de stad! Het is een verwijzing naar een gebruik in het oosten, dat kennelijk ook in Griekenland is doorgedrongen.

Kreoon, wat zwijgt ge en houdt uw stem geluidloos in?
Niet minder dan gij zelve ben ook ik ontsteld.

Het Fenicische koor is ontsteld over zo’n barbaars gebruik. Kreoon is het daarmee eens en stuurt zijn zoon zo ver mogelijk van deze streek en wel naar Dordona in Aitolië. Menoikeus is echter geenszins van plan te vluchten en wil zichzelf wel opofferen tot heil van de stad.
Menoikeus is een van de Spartoi (gezaaiden).





Gij kwaamt, o gevleugelde,
gij vrucht van Aarde
en van Echidna, de doodsslang,
voor den roof der Kadmeeërs
kwaamt gij naar hier,
gij die veel zuchten, veel jammer bracht!
Vreeselijk monster,
half maagd van gedaante,
heen en weer joegt gij
snel rond op uw vlerken,
met uwe vleesch-verscheurende klauwen,
gij die eens uit de streken der Dirke
jongren wegvoerend uw gruwelijk lied,
en de verderflijke Erinys
bracht alom in hun vaderland,
smart door den bloedigen moord.
Moordziek was hìj onder de goden
die zulke dingen bewerkte!
Wee-roepend gezang der moeders,
wee-roepend gezang der maagden
klonk in de huizen jammerend.
Beurtlings een ander geluid van wee,
beurtlings een ander lied van wee
steeg huilend op door de stad.
Maar aan de donder gelijk
was het stenen en het geschrei,
wanneer de gevleugelde maagd
een burger der stad deed verdwijnen.

Maar eindelijk kwam,
door Pythia gezonden,
Oidipous, de dulder,
naar dezen grond der Thebanen,
eerst hun roem, later hun ramp.
Want, overwinnaar der raadselvraag,
gaat die rampzaalge een huwlijk,
een kwaad huwlijk aan, met zijn moeder
en bezoedelt de stad.
Een misdaad wisslend met misdaad
brengt door zijn vloek de ellendige
de eigen zoons tot een strijd
die een schandvlek is. Wij voelen bewondring
voor wie de dood tegemoet treedt
ten bate van ’t land der vaadren,
voor Kreoon overlatend geween
maar schoone zege brengend de stad,
de sterkte van ’t zevental poorten.
O, dat van zulken wij moeders werden,
zóó eedle kindren kregen, o Pallas,
diebre, die den steenworp-dood
wist te bewerken des slangedraaks,
zorglijke taak van Kadmos,
dien tot dit werk gedreven,
waarna de god-beschikte ramp
van roof op dit land is gevallen.

Het koor verhaalt van de tijd, dat de sfinx nog in Thebe rondwaarde. Oidipous maakt daar een eind aan. Het koor bewondert tenslotte de zelfopoffering van Menoikeus, die op zijn beurt Thebe redt.
Pythia: priesteres, die de orakels uitspreekt.

Schoon is deze overwinning, maar wanneer de goôn
een beetren raad bedachten, ‘k zou gelukkig zijn.

De Thebanen hebben een aanval van het leger van Adrastos afgeslagen, maar het koor vraagt zich droog af, of de goden geen betere oplossing kunnen bedenken.

Ai, ai, ai, ai!
Van ontzetting huivert, huivert mijn hart
en door mijn vleesch gaat meelij, medelijden
met de ongelukkige moeder,
om haar twee zonen. Wie van beiden
(wee mij, om dit smartlijke,
wee Zeus, wee Aarde!)
zal treffen bloedig
den hals van een broeder,
het hart van een broeder,
dwars door het schild, dwars door het pantserkleed?
En ik rampzalige,
o rampzalige,
van wien van beiden zal ik het lijk,
het gevallene, moeten beweenen!

Ach, Aarde, ach Aarde!
Twee wilde dieren, moordzieke zielen,
zullen elkander straks,
hun lansen zwaaiende,
bloedig doen vallen, vreeselijk doen vallen!
Ellendigen, dat zij zich haalden in ’t hoofd,
te vechten alleen, met hun tweeën!
Met mijn uitheemsch geluid
zal ‘k, tranen vergietend,
uitklagen de treurzang die dooden gevallig is.
Het noodlot nadert, nabij is de moord!
Dit daglicht nog zal beslissen wat komt.
Afschuwelijk, afschuwelijk de moord
die van Erinyen uitgaat!

Maar ik zie, ’t gelaat in neevlen, Kreoon, naadren het paleis.
‘k Zal daarom de weeklacht staken, die ik aangeheven heb.

Het koor is ontzet over de naderende tweestrijd. Opmerkelijk is, dat de klaagzang in het uitheems zal geschieden = dus in het Fenicisch.

Zij hoorde dat haar zonen om den koningsstaf
naar lans en schild gaan grijpen voor een tweegevecht.

Maar reeds lang is uwe zuster heengegaan
en ‘k denk, Kreoon, dat reeds de strijd op leve‘ en dood
der kinderen Oidipous zijn einde vond.

Als zij het vatten konden, tranen schreiden zij.

Heft, ach heft nu den treurzang aan,
beurt omhoog uw blanke armen, slaat het hoofd!

Dit zijn in feite alleen maar tussenliggende teksten.
Het tweegevecht heeft plaats gevonden. Het slaan van het hoofd is een uiting van treurnis, dat we nog steeds in het Midden-Oosten bijvoorbeeld zien.

Ach, Oidipous, hoe treur ik om uw ongeluk!
De godheid heeft, naar ’t schijnt, uw vloekgebed verhoord!

Niet voor ’t gehoor kwam nog dit ongeluk
over dees huizinge, want voor onze oogen
ligt hier dit drietal lijken reeds neergestrekt
voor het paleis-gebouw, één in den dood,
’t eeuwige duister deelachtig!


Veel leed bracht deze dag aan ’t huis van Oidipous.
O, moog het leven dat hem wacht, min droevig zijn!

Naschrift:
Het KOOR is een integraal deel van het Griekse treurspel. Het zijn in oorsprong dansers en/of danseressen, die met muziekinstrumenten voor een afwisseling zorgen tussen de verschillende dialogen. Zij nemen niet actief deel in de gebeurtenissen, maar geven een toelichting of een commentaar of ze kondigen wat aan. Veelal wordt het koor (zeker bij Euripides) gebruikt om de mening van de auteur zelf weer te geven.

Euripides hecht groot belang aan het koor. Hij geeft het toneelstuk zelfs de naam van het koor. Euripides is bekend met de Feniciërs, met hun spraak, met hun (in Griekse ogen) afkomst en met hun begrafenis rithe.