woensdag 9 december 2015

EGEIS 2


Cadmus neemt steengroeven in gebruik. Thrason bouwt de eerste muren.
[Plinius 7.195]

---------------------------

 [Herodotos II 49]

De Griek Melampous, die Herodotos hoogacht, leert van Kadmos de Dionysos-dienst.

-------------------------

De Feniciërs in feite, die in grote aantallen participeerden in dit leger, werden aangetrokken door de verdeeldheid bij de Rhodiërs of door hun wens om de goederen te plunderen, die zij met zich mee hadden genomen, vervolgden Phalas met stenen te gooien, doodden hem en namen bezit van de steden in kwestie, verdeelden tussen het goud en de rest van de buit.
[Diktys van Kreta, IV 4]

Het is een bericht van een deelnemer aan de oorlog van Troje. Kennelijk hebben de Feniciërs daaraan ook deelgenomen. Het is niet geloofwaardig, of ze moeten deelgenomen hebben om een handelsconcurrent uit de weg te ruimen.  Het is het enige bericht dat daarvan gewag maakt. De steden in kwestie zijn Kameiros en Ialysos. Betrof het een eenmalige plundertocht?

-----------------------

Het zijn de Feniciërs geweest, die als eersten met hun snuisterijen en handelswaar de hebzucht, de praal en de onverzadigbare verlangens naar allerlei zaken in Griekenland hebben ingevoerd.
[Cicero, Republika III fr.3 Krarup]

Zeker in de Romeinse tijd worden de Feniciërs neergezet als de veroorzakers van de hebzucht van de mensen. De Romeinen apen de Griekse berichtgeving in dit opzicht na.

------------------------

De zeemacht van Minos is op ieders lippen, net zoals de zeevaart van de Feniciërs, die op avontuur gingen voorbij de zuilen van Herakles en steden stichtten; maar ook halverwege op de kust van Libyë vlak na de gebeurtenissen van Troje.
[Strabon. I 3,2,C 48]

Dit lijkt in tegenspraak te zijn met het voorafgaande, maar is het niet. Strabo heeft het over de lange afstandszeevaart tot voorbij de zuilen van Melqart, die plaatsvond vlak na de oorlog om Troje. Daarvoor beperkten de Feniciërs zich voornamelijk tot Egypte, Cilicië, Cyprus en het Egeïsche gebied.

--------------------------

12e eeuw
-----------------------

Daarna wees Achilles weer andere prijzen aan, voor de wedloop: een prachtige zilveren mengvat van zes maten inhoud; een mooier bestond niet op de hele wereld, een werkstuk van de kunstvaardige bewoners van Sidon. Feniciërs hadden het gebracht over de nevelachtige zee en, in de haven van Lemnos geland, ten geschenke gegeven aan Thoas. Diens kleinzoon Euneos, Iasons zoon, gaf het aan Patrokles, als losprijs van Lykaon, de zoon van Priamos en nu loofde Achilles het uit ter ere van zijn vriend voor hem, die door snelheid van voeten de eerste zou zijn.
[Ilias XXIII 719-748]

Het verhaal wordt gedaan tijdens de Trojaanse oorlog (begin 12e eeuw), maar de schenking kan slaan op een eerdere periode. Het eiland Lemnos ligt in het noordelijke deel van de Egeïsche zee.

------------------------

Zij (Helena) ging naar huis en beval haar slavinnen de oude vrouwen in de stad samen te roepen. Zelf daalde zij af in het geurige schatvertrek, waar de bontgestikte kleren lagen, handwerk van de Sidonische vrouwen, die de edele Paris zelf uit Sidon naar Troje gebacht had over de brede zee, toen jij de koningsdochter Helena naar zijn huis had ontvoerd.
[Ilias VI 273-304]

De stad Troje staat in het begin van de 12e eeuw v.C kennelijk in verbinding met Fenicië. Produkten uit Sidon zijn in de stad aangekomen.

-------------------------




----------------------------

[Herodotos II 116]

Er is een duidelijke verbinding tussen het koningshuis van Troje en Sidon in Fenicië. De bonte kleding is een gewild produkt van Sidon.

-------------------------------------








Van Syros naar Ithaka.






[Odysseus XV 415-475]

Fenicische zeevaarders en handelaren doen het eiland Syros aan. Daar leeft al een ontvoerde Fenicische vrouw. Gezamenlijk wordt overgegaan tot een nieuwe ontvoering. Het blijkt een populaire bezigheid te zijn, die veel geld oplevert. In welke tijd moeten we dit plaatsen. Het is een verhaal, dat opduikt in de Odyssee. De verhalen daarin slaan over het algemeen op de periode direct na de oorlog om Troje. Waarschijnlijk gaat het dus om het tweede kwart van de 12e eeuw v.C. Syros ligt in de Egeïsche zee en Ithaka aan de andere kant van Griekenland.

------------------------

Ik geef je (Telemachos) een mooi mengvat; het is geheel van zilver, maar de rand is van goud, een werkstuk van Hephaistos. Ik kreeg het van Phaidamos, de dappere koning van Sidon, toen zijn huis mij op de terugreis herbergde. Dat geef ik je mee. Met deze woorden gaf Menelaos hem de dubbelkelkige beker in handen, terwijl de sterke Megapenthes het prachtige zilveren mengvat voor hem neerzette.
[Odysseus XV 95-132]

Phaidimos wordt nergens verder in de overlevering of op inscripties genoemd. Waarom hij zo dapper is, blijft ook in het ongewisse. Bekers, schalen en vaten van edelmetaal zijn zeer gewild in het vroege Griekenland. En meestal zijn het maaksels van de Feniciërs. De handeling vind plaats omstreeks de Trojaanse oorlog.

---------------------------





-------------------------

De metgezellen van Phalantos (een Feniciër), die in Ialysos een kleine versterkte stad bezaten, genaamd Achaia en die de meesters van de zee waren, weerstonden lange tijd Iphikos (een Griek). Ze waren namelijk in het bezit van een voorspelling opgetekend bij een of ander orakel, dat zij het land zouden bezitten, zolang er geen witte kraaien waren en dat er geen vissen zouden worden afgebeeld op vazen. Omdat ze er rekening mee hielden, dat dat nooit zou gebeuren, voerden zij met een enome slordigheid de oorlog. Maar Iphiklos, die door iemand van het orakel had gehoord, legde een valstrik voor Phalanthos. Hij wist het vertrouwen te winnen van de man, die de toegang tot het water beheerste, door hem te betalen. Diens naam was Larkas. Daarna ving hij kleine vissen bij de bron en deed ze in een emmer. Die gaf hij aan Larkas met de opdracht dit water in de kruik te doen, waarmee Phantahos water haalde. Dat deed deze en Iphiklos ving vervolgens kraaien, wreef ze in met krijt en liet ze weer los. Toen Phalanthos de kraaien had gezien, ging hij de kruik bekijken en zag de vissen. Hij begreep, dat het land niet meer van hem was en hij ging met Iphiklos onderhandelen in de hoop met zijn schatten zich uit de voeten te kunnen maken. Iphiklos ging daar op in. Phalanthos had nu het volgende in gedachten: hij zou offers doen, hij zou hun ingewanden schoonmaken en zou proberen het goud en zilver er binnen in opslaan. Toen Iphiklos hier de hoogte van kreeg, verhinderde hij dat. Phalanthos beriep zich echter op de belofte, dat hij zou mogen vertrekken met alles wat zij in de buik (van het offerdier) konden meenemen, maar die antwoordde, terwijl hij hun de boten voor het transport gaf (na die van het roer, riemen en zeilen ontdaan te hebben), dat hij slechts gezworen had de boten te geven en niets anders. De Feniciërs waren nu in grote verlegenheid gebracht en begroeven veel van hun goederen op gemarkeerde plekken om later, eenmaal teruggekomen die weer te kunnen ophalen, maar ze gaven ook veel aan Iphiklos. De Feniciërs hebben op deze wijze het land verlaten en de Grieken maakten zich meester van veel zaken.
[Fr.Gr.Hist.III B nr. 513 F 1 = Atheneus VIII blz 360d-361c]

De Grieken kunnen best met een truc de Feniciërs van het eiland hebben weggekregen, maar zo infantiel als Athenaeus het beschrijft, zal het niet zijn gegaan. Phalanthis is overigens geen Semietische naam. De stichter van Taras had die ook. De buik van het offerdier en de buik van het schip worden met elkaar verward.

-------------------------

Na dit ook verteld te hebben in zijn “Rhodiaka”, zegt Polyzelos: Alleen Phakas en zijn dochter Dorkia wisten van de vissen en de kraaien. De dochter, die verliefd was op Iphiklos en die toegestemd had in een huwelijk door tussenkomst van haar voedster, haalde de waterdrager over de vissen te brengen en ze in de kruik te gooien, terwijl zij zelf de kraaien losliet, die wit gemaakt waren.
[Polyzelos van Rhodos, Fr.Gr.Hist.III B nr.51 F 6 = Athenaeus VIII 61, blz 361]

Phakas lijkt meer op een Semietische naam. Het wordt nu begrijpelijk, dat Iphiklos toch Phakas (zijn toekomstige schoonvader) laat vertrekken.

----------------------------




Herodotos meldt:
[I, 1+2]


Het schept een aardig beeld hoe de Feniciërs handel dreven in Griekenland en hoe gewild hun produkten bij de Grieken waren. De herkomst van de Feniciërs wordt belicht.

-----------------------------













Herodotos meldt:
[I 4+5]


Er is dus waarschijnlijk geen sprake van een ontvoering! De bron van alle ellende tussen Grieken en Perzen is terug te voeren op de Trojaanse oorlog. De Grieken zijn de agressors!

-------------------------------------------














EGYPTE
------------------------

Daar (=Eypte) bleef ik zeven jaar en vergaarde ik grote rijkdom, want alle Egyptenaren waren vrijgevig. Maar toen de tijd voortwentelde en het achtste jaar aanbrak, toen verscheen een Feniciër, een bedrieger en een schelm, die al veel kwaad had gesticht in de wereld. Hij haalde mij over met hem mee te gaan naar Fenicië, waar hij zijn huis en bezittingen had. Een vol jaar bleef ik bij hem, maar toen de maanden en dagen ten einde liepen en een tweede jaar aanbrak, vetrok hij naar Libyë en nam mij aan boord van zijn snelvarend schip onder een bedriegelijk voorwendsel om – zo heette het – samen met hem een lading te brengen, maar met de (echte) bedoeling om mij daar te verkopen en een grote som te verdienen. Al had ik argwaan, ik had geen keus en ging met hem scheep. Gunstige wind, een stijve bries uit het noorden, voerde ons over volle zee aan Kreta voorbij. Maar Zeus bereidde hen de ondergang .........
[Odyssee XIV 263-295]

Grieken en Feniciërs komen elkaar tegen in het gastvrije Egypte. Feniciërs zit het bedriegen in het bloed. De Feniciërs varen dan al op Libyë en doen dat bij een kennelijk gunstige noordenwind.

KRETA
------------------------

Zodra ik hem (=Orsilochos) met mijn scherpe lans had gedood, ging ik op zoek naar een schip en ik smeekte de trotse Feniciërs en bood hen een aanzienlijk deel van de buit en vroeg hen mij aan land te zetten in Pylos of in het goddellijke Elis, het rijk van de Epeiërs. Maar de kracht van de wind sloeg hen ver uit de koers, geheel tegen hun wil, want bedriegen wilden ze niet. Een tijd lang dwaalden wij rond en kwamen hier aan in de nacht. Niet zonder moeiete roeiden wij de haven binnen en niemand dacht aan eten, al hadden wij nog zo’n honger. Maar zonder meer gingen wij allen van boord en legden ons neer op de grond. Daar overmande de slaap mijn vermoeide leden, maar de anderen brachten mijn goederen uit het ruim van het schip en legden ze neer, waar ik in het zand lag te slapen. En zij gingen scheep en zetten koers naar de volkrijke landstreek van Sidon, maar ik bleef achter, alleen en bedroefd.
[Odyssee XIII, 260-290]

Het is de tijd na de Trojaanse oorlog. Odysseus is op zijn thuisreis. Fenicische schepen kunnen kennelijk rustig door de Egeïsche wateren kruisen. Odysseus kan geen Grieks schip vinden! Het is merkwaardig, dat de Feniciërs ditmaal geen misbruik van de situatie maken door hun passagier even leeg te roven! Elders in de overlevering doen ze dat maar al te graag.

--------------------







-----------------------

[Herodotos II 54-56.]

De stichting van orakels en de ontvoeringen, waarmee de Feniciërs bezig zouden zijn geweest.

-------------------------

In dezelfde tijd werd Ulysses meegenomen bij Kreta op twee schepen van de Feniciërs, die akkoord waren gegaan met de verscheping van zijn bagage ......
Op die manier doolde hij met de rest van zijn goederen in de handen van de Fenicische plunderaars.
[Diktys van Kreta, VI 5 = Fr.Gr.Hist.I A nr.49 F 9]

Diktys heeft kennelijk de Odyssee gelezen, maar kan het niet laten om toch weer de Feniciërs als plunderaars af te schilderen.

--------------------------





-----------------------

Want na veel ontberingen en veel omzwervingen bracht ik deze kostbaarheden mee op mijn vloot, toen ik in het 8e jaar thuiskwam. Mijn zwerftochten brachten mij naar Cyprus, Fenicië en de Egyptenaren; ik bezocht de Aithiopen en de Sidoniërs, de Erembiërs en Libyë, waar .......
[Odyssee IV 65-98]

De Grieken kunnen ongestoord ook de oostelijke en zuidelijke landen bezoeken.

11e eeuw?
---------------------

61 ..... Niets in de oude tijden brengt ons meer in verbinding met de Grieken dan de Egyptenaren, die naar hen produkten exporteerden en importeerden (ook goederen) van hen, of zoals de bewoners van de Fenicische kust, die zich ijverig overgaven aan kleine en grote handeltjes uitliefde voor het gewin .........
[Flavius Josephus, Tegen Appius, I 12 (16)]

63. Dat is waarom de Feniciërs, die met hun schepen op Griekenland voeren, al vroeg bekend waren en kennis maakten met de Egyptenaren en met iedereen, die handelswaar transporteerden naar de Grieken over de immense zeeën.
[Flavius Josephus, Tegen Appius, I 12 (63)]

Het is voortbordurend op de geschriften van zijn voorgangers, maar er zitten wel nieuwe elementen in. Allereerst wordt de rol van de Egyptenaren benadrukt en ten tweede komt Hellas nu voren als het kruispunt van alle contacten. Pas na Hellas gaan de Feniciërs dus verder op hun tocht door de Middellandse zee.

CYTHERA
-------------------

De eerste van de mensen aan wie het overkwam, dat zij Ourania vereerden, waren de Assyriërs en na de Assyriërs de mensen van Paphos van Cyprus en degenen van de Feniciërs, die Askalon in Palestina bevolken. Het is daarom, dat zij van de Feniciërs hebben geleerd, dat de mensen van Cythera haar vereren.
[Pausanias, 170-180 na Chr Périégèse, I 14,7]

De eerste Assyriërs komen al in beeld in de 11e eeuw v.C, maar omdat er sprake is van Askalon, dat in Fenicische handen is, moeten we bij dit bericht toch eerder denken aan de Perzische tijd. De vestiging van de Feniciërs is echter ouder!

-----------------------------

Cythera: eiland met een stad van dezelfde naam aan de kant van Kreta, genoemd naar de Feniciër (of zoon van Phoinix) Kytheros.
[Steph.Byz.6e eeuw na Chr.]
[Eutathius in de 12 eeuw herhaalt dit in een commentaar op Denys Périégète]
---------------------------
[Herodotos I 143]

Wat mij betreft, ik herinner me, dat Teucer naar Sidon ging. Hij was verjaagd uit zijn land en hij zocht met de hulp van Belus een nieuw koninkrijk. Belus, mijn vader had het weelderige Cyprus geplunderd en bracht het als overwinnaar onder zijn heerschappij. Het was in deze tijd, dat ik hoorde van de val van Troje, van jouw naam en van de Griekse koningen.
[Virgilius I 619-624]

Troje en Carthago worden in een tijdvak bij elkaar gebracht, maar hier zitten dus wel 4 eeuwen verschil tussen!

-----------------------