woensdag 5 oktober 2016

Adonis


ADONIS

Inleiding:
Deze naam is een grieks-latijnse godennaam en tot stand gekomen door het woord ’adoni te gebruiken van de noordwest-Semietische culten = heer. Het werd reeds gebruikt als een goddelijke toevoeging in het 3e millennium v.C. Het is het zelfstandig naamwoord ’adanu > ’adon, dat voorzien werd van het achtervoegsel –iy / -î voor de eerste persoon enkelvoud = mijn heer. We komen het als zodanig tegen in aanroepende formules van de Papyrus Amherst 63, kolom 12 (13). In de semietische teksten verwijst het niet naar een of andere godheid in het bijzonder, behalve in joodse overleveringen, waar het meervoud van majesteit ’Adonay letterlijk “mijne heren” betekent en een surrogaat is voor de onuitsprekelijke naam van Yahvé.
The world of the Phoenicians, Sabatino Moscati in a translation by Alastair Hamilton:
p.58: The third god of Byblos, Adonis, is only given this name by the Greek authors. The name, however, is obviously Semitic – adon = ‘master’, and the pronominal suffix, -î, ‘my master’. The same Greek sources present the figure of a young god who dies and resurrected. He expresses the animal death and rebirth of earthly vegetation and is thereby connected with the figure of the mother goddess in the cult and the myth …………
The Greek myth is an obvious repetition of the ancient Oriental myth of Dumuzi, Tammuz, Osiris, Telipinu, Baal, …………….
p.65: The sanctuary  of Aphka was in the Lebanese mountains at the source of the river Adonis, now Nahr Ibrahim. Offerings to Astarte were cast into a bowl…………..
As the river neared the sea the riverwater occasionally turned in reddish colour. Lucian relates that according to the faithful the red was the blood of Adonis……………………

Griekse mythologie:
Adonis is hierin de held, die bemind wordt door Aphrodite. Hij blijkt de zoon te zijn van verschillende personen volgens evenzovele overleveringen. Afhankelijk van de bron zijn dat Cinyras en Myrrha, of van Phoenix en Alphesiboea, of van Cinyras en Methaene, of van Théas en Myrrha. Om zijn schoonheid te bewaren verborg Aphrodite hem in een korf, die ze aan Persephoné toevertrouwde. Toen hij op de jacht door een wild zwijn gedood was, verkreeg Aphrodité gedaan, dat hij slechts de helft van het jaar bij Persephoné in de onderwereld behoefde te blijven, de andere helft van het jaar brengt hij bij de goden door op de Olympus. Uit zijn bloed ontstond de tedere en kort bloeiende anemoon. Een versie van het verhaal houdt in, dat Persephoné Adonis niet meer wil teruggeven. Toen besliste Zeus, dat Adonis een derde van het jaar bij Aphrodite en een derde van het jaar bij Persephoné zou blijven, terwijl hij over een derde van het jaar vrij zou kunnen beschikken. Adonis verkoos ook die tijd met Aphrodité door te brengen.

Oorsprong en aard:
De mythe heeft echter ondanks de griekse hoge vlucht een semietische oorsprong en wel duidelijk fenicisch. De naam komt dan ook van ’dn = heer, hetgeen een toevoegsel is voor koningen en goden. Hij wordt geidentificeerd als Osiris en Dumuzi/Tammuz volgens diverse bronnen in latere tijden. Waar stond de godheid eigenlijk voor? Daar circuleren verschillende meningen over, zoals ‘geest van de vegetatie’, ‘stervende god’, ‘agrarisch karakter’, ‘Ešmoen’, ‘parfum als attribuut’, ‘de mislukte jager’. De oorsprong is echter duidelijk fenicisch met een godheid, die sterft en toch weer komt tot een wederopstanding. Adon wordt echter in de loop der tijd totaal vergriekst, waarbij hij als Adonis mysterieuze culten en hele tuinen krijgt bijgevoegd.

Adonis-feesten:
In Griekenland werden feesten in de hoogzomer gehouden ter ere van Adonis, Deze veelal orgiastische feesten eindigden met klaagzangen over de dood van de held. In Athene werd in de 5e eeuw v.C het feest georganiseerd door vrouwen op de daken van de huizen. In Alexandrië werd in de 3e eeuw na Chr. het feest in het koninklijk paleis gevierd in aanwezigheid van de koningin als het schijnbeeld van Adonis. In Byblos werd in de keizertijd een Adonis vereerd tijdens openbare feesten, waaraan ook mannen deelnamen. Hieraan werd de heilige prostitutie van de vrouwen gekoppeld. Na de klaagzangen over de dood van de helden volgden hier echter vreugdevolle liederen over de wederopstanding (égersis). In al deze plaatsen werden speciale Adonis-tuinen aangelegd.
Ammianus Marcellinus schrijft over het festival van Adonis in Byblos in de 4e eeuw v.C het volgende: “Bij de dood van koning Grumbates tegen de Perzen tijdens Constantijn (337-361 na Chr) wordt een begrafenisceremonie gehouden: de vrouwen beklagen zich luid over de hoop van de natie, die neergemaaid werden in de bloem van hun jeugd, terwijl zij zich kommervol en huilend op de gebruikelijke manier op de borst slaan. Net zoals de priesteressen van Venus worden gezien in het treuren bij het jaarlijkse festival van Adonis, dat, zoals de mystieke kennis van de religie ons verteld, een soort symbool is van rijpend graan.”

Syro-fenicische cultus:
De ontdekking van een tempel voor Adonis te Dura-Eurropos geeft inzicht in de cultus in het semietische milieu. Deze tempel is voorzien van een lange toegang (54m lang en 8-11m breed). De eigenlijke tempel bestaat uit een boog over de ‘naos’, geflankeerd door 2 kamers. Daarnaast staat een tempel van Atargis en ook zijn er nog 9 aparte zalen, waar de ‘thiases’(=Marzeh) bijeenkwamen. Geen enkele andere tempel bevat hier zoveel ruimtes voor de heilige banketten.
In 181/182 na Chr. worden een zuilengalerij en een provisiekamer toegevoegd aan het tempelcomplex, hetgeen er op wijst, dat het een onderdeel vormt voor de heilige maaltijden. De wijding vind plaats door 2 personen, een met een arabische naam Solaios en een met arameese naam Gornaios (zoon van de hogepriester en tevens ‘desmophulax’). Dat laatste is een titel voor een heilige functionaris voor de cultus van Adonis.Dit soort wijding ging niet gepaard met offers, want in het hele tempelcomplex is geen enkel altaar aangetroffen. Adonis blijkt in Dura-Europos een agrarisch getinte godheid te zijn en daarbinnen speciaal een wijnngod. Op andere plaatsen beschikt Adonis over tuinen, die voorzien zijn van taveernes, waar de wijn gedronken wordt. Soms beschikt hij zelfs over een heilig bos, zoals te Bethléem: “Bethleem lucus adumbrat Thamuz, id est Adonidis” (Jér., Ep. 58,3).

Punische cultus:
Deze wordt in Noord-Afrika aangetroffen in de Romeinse periode. Een ‘sacerdos Adonis’ wordt genoemd in een inscriptie uit Béchateur (Thisi, IL Tun I 1188) en uit een wijding uit de omgeving van Nepheris vanuit de jaren 198 en 209 na Chr., die begint met de woorden “Adoni Aug(usto) sac(rum)” (CIL.VIII, 24031). Deze titel refereert niet aan de Syro-fenicische Adonis, maar gewoon aan Baal Hamon (afrikaanse Saturnus).

De Adonis van Byblos:
Byblos et la fête des Adonis, Brigitte Soyez, Leiden, E.J.Brill 1977.
Les fêtes adonidiennes apparaissent, au terme de cet ouvrage, comme le noyau de vie cultuelle giblite. Sans remettre en cause la définition même du mythe, la question de la date des Adonies nous a permis d’ébaucher leur origine à la fois historique et poétique, les conditions qu’elles nécessitaient et la manière dont elles se déroulaient.
 J’insisterai davantage, pour finir, sur la notion de couple qu’impose la présence, à la tête du panthéon local, de deux divinités cardinales, Adonis et Ba‘alat. Cette dualité est loin, en fait, d’être un phénomène unique. Si l’on accepte le cas de Béryte, dont les cultes sont largement calqués sur la croyances syriennes et, plus spécifiquement héliopotaines, Sidon et Tyr connaissent, elles aussi, la dyade.
Tout porte donc à croire, qu’il faut chercher ailleurs qu’en Phénicie les origines de la trinité dont les Syriens firent au contraire grand usage. Les panthéons côtiers, en profonde mutation à partir de la période hellénistique, sont unanimement fidèles à la fécondité ancestrale, symbolisée par l’une ou l’autre forme d’Astarte. Mais à ses cotés une entité nouvellement créeé. Que l’on peut qualifier de dieu jeune, a supplanté Ba‘al.
Nous entrevoyons là une révolution commune dans la mentalité religieuse du temps ; une continuité existe puisqu’Adonis est devenu, au même titre qu’Eshmun et que Melqart, la dépositaire de la fertilité vitale de la nature, mais on devine, davantage encore, la marque d’une ouverture car l’inquiétude enracinée dans la personnalité de Ba‘al disparaît peu à peu avec la naissance d’espoir auquel participent les divers avatars de l’Adonis giblite. La perspective divine s’est, en somme, élargie. La peur fait place à l’espérance ; la salut est tout proche et la moisson ne cessera jamais d’être abondante.

Literatuur :
- W.Atallah, Adonis dans la littérature et l’art grecs, Paris 1966.
- G.Piccaluga, Adonis e i profumi di un certo strutturalismo, Maia n.s.26 (1974).
Adonis, i cacciatori falliti e l’avvento dell’agricoltura, Il mito greca, Roma 1977, p.33-48.
- B.Soyez, Byblos et la fête des Adonies, Leiden 1977.
- S.Ribinchini, Adonis, Aspetti ‘orientali’ di un mito greco, Roma 1981.
Adonis. Relazioni del Colloquio in Roma (1981), Roma 1984.
- G.J.Baudy, Adonisgärten. Studien zur antiken Samensymbolik, Königstein, 1986.
- M.J.Rostovtzelf + F.E.Brown + C.B.Welles, The Excavations at Dura-Europos, Preliminary Report of the Seventh and Eight Seasons of Work 1933-1934 and 1934-1935. New Haven 1939.
- F.Cumoni, Les desmophulax d’Adonis, Syria 22 (1941). P.292-295.
J.T.Milik, Dédicaces faites par des dieux (Palmyre, Hatra, Tyr) et des thiases sémitiques à l’époque romaine, Paris 1972, p.142, 204-205.
- J.Toutain, Bulletin de la societé nationale des Antiquaires de France 1915, p.269-299 + BAC 1918 p.CLXX – CLXXII.
- Sabatino Moscati, The world of the Phoenicians.
- G.E.Markoe, Phoenicians, Berkely, 2000.
- C.R.Krahmalkov, Phoenician-Punic Dictionary, Leuven 2000.