vrijdag 14 oktober 2016

ANAT

ANAT.
(H)anat (akkadisch), ‘nt (ugaritisch+fenicisch).
West-Semietische godin, die genoemd wordt bij het verschijnen van amorietische stammen rond 2000 v.C. Haar naam is identiek aan de naam van de stad (H)anat of ‘anat aan de midden-Eufraat en zij wordt verbonden met de stam van ‘Anah (KAI 202 = TSSI II,5 A2). In het akkadisch wordt deze stam ḥana genoemd in het 2e en 1e millennium v.C.
In de literatuur van Ugarit is Anat de lotgenoot van Baal, de god van het onweer. Zij wordt geacht de wolken te verzamelen, maar ook om de dauw te verspreiden, hetgeen aanleiding geeft om haar naam te verbinden aan het grondwoord ‘an, waar het zelfstandig naamwoord ‘anan = “wolk” vandaan komt. De cultus van Anat verspreidt zich in het 2e millennium v.C over grote delen van Syro-Palestina en Egypte. Zij blijft aanwezig tot aan de hellenistische periode in sommige fenicische kringen.
Bij het begin van de 7e eeuw v.C wordt de godin vereerd op Cyprus te Idalion (RES 453, 1210) en te Lapethos, waar zij geassimileerd is met Athene en de bijnaam “toevluchtsoord van de levenden” krijgt (= m‘z ḥym , KAI 42).
In Egypte wordt Anat geassimileerd met Isis. In Carthago en Hadrumetum komt ‘nt voor in een paar persoonsnamen (Benz, Names, p.382). Verder zien we Anat verschijnen in het verdrag van Baal I van Tyrus en Anat wordt ook genoemd in Elephantine (AP 22.125). In die laatste plaats komt tevens een Anat-Yahvé voor (AP 44.3). Bij Anatram van Delos (ID 2314) zijn we al wat verwijderd van de eigenlijke naam Anat. Wellicht komt de naam ook verscholen voor in:
- ‘wnt’dy bl = goddelijk kantoor van Bel (Palmyra RTP 37);
- ‘Atta’ zit in de naam Atargis (‘tr‘t’/b in aramees).
Literatuur:
- Dictionnaire de la civilisation Phénicienne et Punique, E.Lipinski, Brepols, 1992.
- I rapporti politici di Tiro con l’Assiria alla luce del trattato tra Assarhaddon e Baal, G.Pettinato, RSF III > Anati (M.35.9).

BK 86. De eerste heldendichten, Midden-Oosterse mythen door o.a. Piers Vitebsky, 1997.
blz 99: “Een ander belangrijk element in de cyclus is Baäl’s relatie met de godin Anat. Als zijn trouwe en slagvaardige zus steunde ze zijn eis om een paleis te mogen bouwen en redde ze hem uit de klauwen van de dood. Andere verbrokkelde teksten beschrijven in zeer erotische stijl haar als zijn geliefde.......”

BK 51. Near Eastern Mythology, John Gray, 1969+1982.
Blz 81: “The goddess proves her vitality by herding ‘young men’ into her temple and indulging in a bloodbath…. The bloody work done, the redoubtable goddess cleans and desanctifies the temple and with truly divine aplomb turns to her own toilet:
She scoops up water and washes,
Even dew of heaven, the fatness of the earth,
The rain of Him who mounts the Clouds.
The dew which is poured forth by the stars;
She beautifies herself with snailpurple,
Drawn from a thousand tracts of the sea.’
…….. the text may reflect the seasonal transition from the cult of Sea to that of Baal at the end of summer, the sea-faring season.”

BK 37. Phoenicia and the Phoenicians, Dimitri Baramki, Beirut 1961.
Blz 49: uit Obermann, Ugaritic Mythology: Hymns Invitation to Anat:
 ‘Ye (shall) put a gem on her breast:
As a token of the love of Aliyan Baal,
Of the loyal(ty)? Of Pidriya, daughter of Ar,
Of the devotion of Tilliya, daughter of Rabb,
Of the love of Arsiya, daughter of Ya’buddar,
Like stewards then do ye enter:
At the feet of Anat crouch ye and fall down,
Prostrate youselves and honor her.’
Blz 57: “Anat eventually arrived at the abode of the dead inside the earth and found the bdy of Aliyan (Baal). She carried it to heights of Saphon, where she buried hem, and sacrified to him. She then sought out Mot and implored to restore Aliyan to life, but he refused. She lay hold of Mot and killed him.”

ANAT.
(H)anat (akkadisch), ‘nt (ugaritisch+fenicisch).
West-Semietische godin, die genoemd wordt bij het verschijnen van amorietische stammen rond 2000 v.C. Haar naam is identiek aan de naam van de stad (H)anat of ‘anat aan de midden-Eufraat en zij wordt verbonden met de stam van ‘Anah (KAI 202 = TSSI II,5 A2). In het akkadisch wordt deze stam ḥana genoemd in het 2e en 1e millennium v.C.
In de literatuur van Ugarit is Anat de lotgenoot van Baal, de god van het onweer. Zij wordt geacht de wolken te verzamelen, maar ook om de dauw te verspreiden, hetgeen aanleiding geeft om haar naam te verbinden aan het grondwoord ‘an, waar het zelfstandig naamwoord ‘anan = “wolk” vandaan komt. De cultus van Anat verspreidt zich in het 2e millennium v.C over grote delen van Syro-Palestina en Egypte. Zij blijft aanwezig tot aan de hellenistische periode in sommige fenicische kringen.
Bij het begin van de 7e eeuw v.C wordt de godin vereerd op Cyprus te Idalion (RES 453, 1210) en te Lapethos, waar zij geassimileerd is met Athene en de bijnaam “toevluchtsoord van de levenden” krijgt (= m‘z ḥym , KAI 42).
In Egypte wordt Anat geassimileerd met Isis. In Carthago en Hadrumetum komt ‘nt voor in een paar persoonsnamen (Benz, Names, p.382). Verder zien we Anat verschijnen in het verdrag van Baal I van Tyrus en Anat wordt ook genoemd in Elephantine (AP 22.125). In die laatste plaats komt tevens een Anat-Yahvé voor (AP 44.3). Bij Anatram van Delos (ID 2314) zijn we al wat verwijderd van de eigenlijke naam Anat. Wellicht komt de naam ook verscholen voor in:
- ‘wnt’dy bl = goddelijk kantoor van Bel (Palmyra RTP 37);
- ‘Atta’ zit in de naam Atargis (‘tr‘t’/b in aramees).
Literatuur:
- Dictionnaire de la civilisation Phénicienne et Punique, E.Lipinski, Brepols, 1992.
- I rapporti politici di Tiro con l’Assiria alla luce del trattato tra Assarhaddon e Baal, G.Pettinato, RSF III > Anati (M.35.9).

BK 86. De eerste heldendichten, Midden-Oosterse mythen door o.a. Piers Vitebsky, 1997.
blz 99: “Een ander belangrijk element in de cyclus is Baäl’s relatie met de godin Anat. Als zijn trouwe en slagvaardige zus steunde ze zijn eis om een paleis te mogen bouwen en redde ze hem uit de klauwen van de dood. Andere verbrokkelde teksten beschrijven in zeer erotische stijl haar als zijn geliefde.......”

BK 51. Near Eastern Mythology, John Gray, 1969+1982.
Blz 81: “The goddess proves her vitality by herding ‘young men’ into her temple and indulging in a bloodbath…. The bloody work done, the redoubtable goddess cleans and desanctifies the temple and with truly divine aplomb turns to her own toilet:
She scoops up water and washes,
Even dew of heaven, the fatness of the earth,
The rain of Him who mounts the Clouds.
The dew which is poured forth by the stars;
She beautifies herself with snailpurple,
Drawn from a thousand tracts of the sea.’
…….. the text may reflect the seasonal transition from the cult of Sea to that of Baal at the end of summer, the sea-faring season.”

BK 37. Phoenicia and the Phoenicians, Dimitri Baramki, Beirut 1961.
Blz 49: uit Obermann, Ugaritic Mythology: Hymns Invitation to Anat:
 ‘Ye (shall) put a gem on her breast:
As a token of the love of Aliyan Baal,
Of the loyal(ty)? Of Pidriya, daughter of Ar,
Of the devotion of Tilliya, daughter of Rabb,
Of the love of Arsiya, daughter of Ya’buddar,
Like stewards then do ye enter:
At the feet of Anat crouch ye and fall down,
Prostrate youselves and honor her.’
Blz 57: “Anat eventually arrived at the abode of the dead inside the earth and found the bdy of Aliyan (Baal). She carried it to heights of Saphon, where she buried hem, and sacrified to him. She then sought out Mot and implored to restore Aliyan to life, but he refused. She lay hold of Mot and killed him.”

ANAT.
(H) anat (Akkadian), ‘nt (+ Ugaritic Phoenician).
West Semitic goddess, called upon the appearance of Amorite tribes around 2000 B.C. Her name is identical to the name of the city (H)anat or anat the mid-Euphrates and is connected to the tribe of  ‘Anah (KAI = 202 TSSI II, 5 A2). In Akkadian called this tribe ḥana in the 2nd and 1st millennium BC.
In the literature of Ugarit Anat is the companion of Baal, the god of thunder. She is supposed to gather the clouds, but also to spread the dew, giving rise to her name connected to the root word 'an, where the noun  ‘anan = "cloud" comes from. The cult of Anat spreads in the 2nd millennium B.C over large parts of Syro-Palestine and Egypt. It remains up to the Hellenistic period in some Phoenician circles.
At the beginning of the 7th century BC, the goddess worshiped in Cyprus at Idalion (RES 453, 1210) and Lapethos, where she is getting assimilated with Athena and gets the nickname "refuge of the living" (= m'z hym, KAI 42).
In Egypt Anat assimilated with Isis. In Carthage and Hadrumetum is ‘nt used for a few personal names (Benz, Names, p.382). Furthermore, we see Anat in the treaty of Baal I of Tyre and Anat is also mentioned in Elephantine (AP 22 125). In the latter location will also be an Anat-for Yahvé (AP 44.3). When Anatram of Delos (ID 2314) appeared, we have already removed somewhat away of the actual name Anat. Perhaps the name is also tucked in for:
- 'Wnt'dy bl = divine office, call (RTP Palmyra 37);
- 'Atta' is in the name Atargis (tr't '/ b in Aramaic).
Literature:
- Dictionnaire de la civilization Phénicienne et Punique, E.Lipinski, Brepols, 1992.
- I rapporti politicians di Tiro con l'Assiria alla luce del trattato tra Assarhaddon e Baal G.Pettinato, RSF III> Anati (M.35.9).

BK 86. The first epics, Middle Eastern myths by Piers Vitebsky, 1997.
P. 99: "Another important element in the cycle is Baal's relationship with the goddess Anat. As his loyal and decisive sister she supported his demand to be allowed to build a palace and saved him from the clutches of death. Other texts describe fragmented in very erotic style her as his lover ....... "

BK 51. Near Eastern Mythology, John Gray, 1969+1982.
p. 81: “The goddess proves her vitality by herding ‘young men’ into her temple and indulging in a bloodbath…. The bloody work done, the redoubtable goddess cleans and desanctifies the temple and with truly divine aplomb turns to her own toilet:
She scoops up water and washes,
Even dew of heaven, the fatness of the earth,
The rain of Him who mounts the Clouds.
The dew which is poured forth by the stars;
She beautifies herself with snailpurple,
Drawn from a thousand tracts of the sea.’
…….. the text may reflect the seasonal transition from the cult of Sea to that of Baal at the end of summer, the sea-faring season.”

BK 37. Phoenicia and the Phoenicians, Dimitri Baramki, Beirut 1961.
p. 49: uit Obermann, Ugaritic Mythology: Hymns Invitation to Anat:
 ‘Ye (shall) put a gem on her breast:
As a token of the love of Aliyan Baal,
Of the loyal(ty)? Of Pidriya, daughter of Ar,
Of the devotion of Tilliya, daughter of Rabb,
Of the love of Arsiya, daughter of Ya’buddar,
Like stewards then do ye enter:
At the feet of Anat crouch ye and fall down,
Prostrate youselves and honor her.’
p. 57: “Anat eventually arrived at the abode of the dead inside the earth and found the bdy of Aliyan (Baal). She carried it to heights of Saphon, where she buried hem, and sacrified to him. She then sought out Mot and implored to restore Aliyan to life, but he refused. She lay hold of Mot and killed him.”