donderdag 26 februari 2015

Humbert


OP ZOEK NAAR CARTHAGO

Mijn landgenoot Jean-Emile Humbert heeft de herontdekking van het Punische Carthago in gang gezet. Hij werd in 1771 geboren en moest in 1795 de Nederlanden verlaten, omdat hij een aanhanger van de Oranje dynastie was. Een jaar later komt deze militair ingenieur aan in Tunesië. Voor de Bey Hamouda Pascha legt hij de haven La Goulette aan. Humbert studeerde in zijn vrije tijd letterkunde en las de reisverslagen van de Engelsman Thomas Shaw, die in 1727 reeds Tunesië doorkruiste. Hij organiseerde excursies voor buitenlanders naar de Romeinse ruïnes. Hij verrijkt zijn topografische kennis en komt tot de conclusie, dat de zuidelijkste heuvel op het schiereiland de Byrsa moet zijn van de Carthagers.  Hij wijst precies de goede plek aan! In 1815 komt hij Camillo Borgia uit Italië tegen, die ook al een politiek vluchteling is. Deze vergezelt Humbert op zijn reizen door Tunesië, wanneer hij voor de Bey enige forten moet maken langs de Algerijnse grens. Camillo Borgia maakt van deze reizen aantekeningen en schetsen in zijn reisverslagen. In 1817 mag Camillo Borgia weer terugkeren naar zijn geboorteland, maar voordat hij dat doet plaatst hij een gedicht “Carthago en Humbert” in het dagboek van Humbert. In ditzelfde jaar doet Humbert een geweldige ontdekking. Hij vindt vier volledig intacte Punische gedenktekens met inscripties en twee fragmenten daarvan. De inscripties kan hij niet lezen, maar hij weet, dat het Punisch materiaal is. Dit waren de eerste Punische voorwerpen, die bij Carthago zijn gevonden. In 1818 mag ook Humbert naar zijn vaderland terugkeren. Hij pakt zijn kostbare stenen in en steekt over naar Italië. Daar aangekomen hoort hij, dat zijn dochter ziek geworden is. Hij haast zich terug naar Tunesië, maar laat de Punische gedenktekens achter in Italië achter bij bevriende kennissen. In Tunesië ervaart hij, dat zijn dochter overleden is aan de pest en dat zijn huis en al zijn bezittingen verbrand zijn. Dat was in die tijd gebruikelijk bij een pestuitbraak. Berooid keert hij in 1820 via Italië terug in de Nederlanden, maar met zijn kostbare Punische stenen in de bagage.

Daarmee is het avontuur van Humbert nog niet afgelopen, want hij kan zijn collectie goed verkopen aan het Rijksmuseum voor Oudheden te Leiden. Casper Reuvers is daar de eerste hoogleraar in de archeologie en die is zo enthousiast over de vondsten van Humbert, dat hij een nieuwe expeditie onder de leiding van Humbert gaat organiseren. Voordat het zover is moet Humbert eerst nog een zware ziekte overwinnen. In zijn koortsdromen prevelt hij slechts de namenReuvers en Carthago. Eenmaal hersteld krijgt hij een koninklijke onderscheiding en wordt bevorderd van majoor to luitenant-kolonel. In 1822 gaat Humbert weer op weg naar Tunesië voor een archeologische missie. Hij mag in Romeins Carthago gaan graven, als hij voor de Bey de haveninstallaties van La Goulette verbetert. Humbert verricht 11 opgravingen, verzamelt een vracht aan documenten, handschriften en tekeningen. Hij koopt een heleboel zaken aan: gesneden stenen, penningen en sculpturen, waaronder 8 keizer-standbeelden. Hij vindt zelf nog twee Punische gedenkstenen. Bij zijn opgravingen komt hij niet tot de Punische lagen, maar hij legt wel in grote lijnen de topografie van het Punische Carthago vast. In 1824 laat hij al zijn materiaal in 65 kisten pakken en aanvaardt de terugreis naar de Nederlanden.

Na twee jaar op adem te zijn gekomen, gaat hij op aandringen van het Rijksmuseum voor Oudheden voor de derde maal op reis naar Tunesië in 1826. Hij strandt echter in Italië te Livorno. Daar wordt hem een complete collectie Etruskische en Egyptische kunstvoorwerpen aangeboden. Na jaren verwerft hij deze collecties en ook andere daadwerkelijk. Zijn gezondheid gaat hem steeds meer in de steek laten en hij blijft in Livorno hangen tot zijn dood in 1839. Hij laat al zijn bezittingen en collecties na aan het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden. In zijn testament laat hij opnemen, dat op zijn grafsteen de naam CARTHAGO gebeiteld moet worden. Wat een fantastisch mooi slot van zo’n avontuurlijk leven!

Al deze informatie werd overgenomen uit diverse artikelen van Ruurd Halbertsma, conservator van het Rijksmuseum voor Oudheden te Leiden.

LOOKING FOR CARTHAGE

My compatriot Jean-Emile Humbert put the rediscovery of the Punic Carthage into motion. He was born in 1771 and in 1795 he had to leave the Netherlands, because he was a supporter of the Orange dynasty. A year later, the military engineer is in Tunisia. For Bey Hamouda Pascha he built the port of La Goulette. Humbert studied literature in his spare time and read the stories from the Englishman Thomas Shaw, who already crossed into Tunisia in 1727. He organized tours for foreigners to Roman ruins. He enriched his topographical knowledge and concludes that the southern hill on the peninsula must be the Byrsa of the Carthaginians. He points exactly to the right place! In 1815 he makes acquaintance to Camillo Borgia from Italy who is also a political refugee. He accompanies Humbert on his travels through Tunisia when he has to make some forts for the Bey along the Algerian border. Camillo Borgia makes  notes and sketches in his travels. In 1817 Camillo Borgia may return to his homeland, but before he does he puts a poem "Carthage and Humbert" in the diary of Humbert. In the same year, Humbert does an amazing discovery. He finds four intact Punic memorials with inscriptions and two fragments thereof. The inscriptions he can not read, but he knows that this is Punic material. These were the first Punic objects that were found at Carthage. In 1818 Humbert also may return to his homeland. He grabs his precious stones and crosses over to Italy. Once there, he heard that his daughter became ill. He hurries back to Tunisia, but leave the Punic memorials behind in Italy behind in the possession of friendly acquaintances. In Tunisia, he learns that his deceased daughter came to her end because of the plague, and that his house and all his belongings were burned. Which at that time was usual with a plague outbreak. Penniless, he returns in 1820 through Italy back in the Netherlands, but with his precious Punic stones in the luggage.




The adventure of Humbert is not over yet, because he may well sell his collection to the National Museum of Antiquities in Leiden. Casper Reuvers there is the first professor of archaeology and is so enthusiastic about the finds of Humbert that he will organize a new expedition under the leadership of Humbert. Before that Humbert must first have overcome a serious illness. In his feverish dreams he just have mumbled the names  Reuvers and Carthage. Once recovered he gets a royal medal of honour and is promoted by Major to Lieutenant Colonel. In 1822 Humbert goes back on the road to Tunisia for an archaeological mission. He may in Roman Carthage digging, as he improves for the Bey the port facilities of La Goulette. Humbert made 11 digs, collects a load of documents, manuscripts and drawings. He buys a lot of issues too: carved stones, medals and sculptures, including 8-imperial Roman statues. He finds himself two Punic memorials. In his excavations, he does not come to the Punic layers, but he puts broadly the topography of the Punic Carthage into the picture. In 1824 he packs all his material in 65 boxes and accepts the return journey to the Netherlands.




After two years of rest, he goes on the insistence of the National Museum of Antiquities for the third time travelling to Tunisia in 1826. However, he is stranded in Italy, Livorno. There he is offered a complete collection of Etruscan and Egyptian artefacts. After years he acquires these collections and others actually. His health abandons him more and more and he remains in Livorno until his death in 1839. He left all his possessions and collections to the National Museum of Antiquities in Leiden. In his will, he let record, that the name CARTHAGE should be chiseled on his tombstone. What a beautiful end of some adventurous life!
I am very proud on my compatriot.


All of this information was taken from various articles of Ruurd Halbertsma, curator of the National Museum of Antiquities in Leiden.


 ncfps