zondag 16 augustus 2015

FILOSOFIE

Feniciërs als verbinders in de filosofie tussen Europa en het Verre Oosten?

Dat is een donders moeilijk onderwerp, zeker voor mij, die nauwelijks kaas heeft gegeten van de filosofie. Ik ben er toch maar eens in gedoken om een begin van antwoord op jouw vraagstelling te vinden:

Jouw Email 26-03-2013:
Ik heb wat filosofiecursussen gevolgd de afgelopen najaren en het is opvallend dat er min of meer tegelijkertijd zowel in Europa/Griekenland als in het Verre Oosten hetzelfde gedacht werd door de filosofen. Met buigt zich er nog over of dat toeval is of dat er bijvoorbeeld toch contacten zijn geweest. Zouden Feniciërs daar een rol kunnen hebben gespeeld?

Mijn eerste opwelling is om er meteen maar nee tegen te zeggen, maar zelfs voor een bot nee moet je toch ook met enige vorm van argumentatie komen. Misschien ga ik ook nog wel van mening veranderen.

De eerste vraag, die bij mij naar boven komt, is: Zouden ze er fysiek toe in staat zijn geweest om een direct lijfelijk contact tussen filosofen van beide werelden tot stand te brengen in de periode, dat we kunnen spreken van Feniciërs?
De Feniciërs waren als entiteit (ruim bemeten) aanwezig van c.1400 v.C tot en met de 4e eeuw na Chr.
In het begin treffen we ze aan in de Libanon, Israël en Syrië. Ze noemen zich geen Feniciërs. Die naam komt van de Grieken. In feite was het een vermenging van volken en stammen, waarbij de Kanaänieten het hoofdbestanddeel vormden. Zo noemden zij zich en dat blijven ze doen tot zelfs bij St.Augustinus, de bisschop van Hippo Regius in Noord-Afrika (eind 4e eeuw na Chr). De Feniciërs zijn dus voor een belangrijk deel autochtoon te noemen, maar dat laat onverlet, dat er ook andere stammen zijn binnengekomen en die zijn goeddeels geassimileerd. In de wetenschappelijke wereld wordt er nog steeds hevig gediscussieerd over de herkomst van de Feniciërs en dat was in de oudheid ook al zo. Zo zijn er klassieke schrijvers, die zeggen dat ze afkomstig zouden zijn vanuit de Rode zee, Zuid-Arabië, Perzische golf. Nu liggen er in die gebieden ook daadwerkelijk aanknopingspunten om zulks te veronderstellen, maar het is moeilijk uit te maken, of dat met de herkomst of met de latere uitwaaiering te maken heeft.
Er is zelfs een hedendaagse stroming, die er van uit gaat, dat in ieder geval één stam uit India komt. Die zouden als stam (Pani) een onderdeel vormen van de Rig Vedda. Ze zouden via de Perzische golf uiteindelijk Kanaänietisch gebied hebben bereikt. Er zijn nog andere theorieën te noemen, maar die worden steeds fantastischer en niet of nauwelijks meer te geloven.
In het beste (voor mij onwaarschijnlijke) geval kan er dus een stam geweest zijn uit India en dat ligt al dichtbij China.
Vanaf c.1200 v.C gaan de Feniciërs als een soort zeezigeuners uitwaaieren over de Middellandse zee en vanaf c.1000 v.C gaat dat meer gestructureerd onder de paraplu van de lokale heersers van vooral Tyrus, Sidon en Arwad. Ook zien we ze dan opduiken in de Rode zee in een ‘joint venture’ met Salomo van het Joodse rijkje. Ook over land dirigeren ze hun karavanen door het Midden-Oosten en uiteindelijk ook door de Sahara. Vanaf de 9e eeuw bevaren ze Atlantische kusten van Spanje, Portugal en Marokko. Farao Necho stuurt ze in 605 v.C volgens Herodotus om Afrika heen. In de 6e/5e eeuw ondernemen de Carthagers Hanno en Himillco hun zeetochten naar West-Afrika en West-Europa. Indrukwekkend allemaal, maar ze komen niet in de buurt van het Verre Oosten. Het dichtst bij China komen ze in het kielzog van Alexander de Grote, die tot in Afganistan en India kwam. Arrianus bericht daarover: Fenicische marskramers volgden op enige afstand het leger van Alexander.


Je bent dus in eerste instantie geneigd te geloven, dat de Feniciërs geen directe verbinding tussen dit oost en west tot stand hebben gebracht, ware het niet, dat in de Carthaagse legers van de 3e eeuw v.C opeens olifanten opduiken met Indische menners. Hoe kwamen die daar dan terecht? Het antwoord ligt waarschijnlijk bij de Grieken. Pyrrhus van Epirus was de eerste, die in het westen gebruik maakte van deze tanks uit de oudheid. Hij kreeg ze via de Hellenistische diadochen, die na Alexander de Grote over het Midden-Oosten zijn gaan heersen. En ook Carthago kwam zo aan een zooitje olifanten met hun berijders via farao Ptolemeus van Egypte, die dus in feite een Griek/Macedoniër was. Het kan natuurlijk wel zo zijn, dat de Fenicische marskramers (zie: Arrianus) in het kielzog van het leger van Alexander de Grote daarbij een rol hebben gespeeld. In dit verband is het opmerkelijk, dat de eilanden van Bahrein toen de Griekse namen Tylos en Arados hadden, hetgeen gewoon afgeleid is van de Fenicische steden Sour/Tyrus en Arwad. Er is meer Griekse inbreng via het heerschap Eudoxus van Cyzikus (overlevering via Strabo). Deze ontdekkingsreiziger ging vanuit Egypte in de 1e eeuw v.C op pad met een schip in de Rode zee. Hij wist via de Indische oceaan India te bereiken. Hij deed dat nog een keer, omdat zijn meegebrachte goederen de eerste keer door de Griekse farao in beslag werd genomen. Op zijn terugreis uit India raakt hij uit de koers en spoelt aan in Somaliland, waar hij een (ander) scheepswrak tegenkomt. Hij neemt de boegspriet ervan mee terug naar Alexandrië en in de haven aldaar herkennen Fenicische zeelui van Gadir (nu:Cadiz) het als afkomstig van een van hun schepen. De Gaditanen hebben dus, als het verhaal waar is, Afrika ook van de andere kant om bijna helemaal omzeild, maar het is nog steeds niet de kant van het Verre Oosten op. We moeten wachten tot c.150 na Chr, wanneer een Griek Ptolemaios een prachtig uitgevoerde wereldkaart vervaardigd, waarop ook India en China (weliswaar verkeerd) staan afgebeeld, maar toch: men had toen weet van China en omgeving!
Al bij al denk ik, dat het via de Grieken moeten zijn geweest, als er al ooit een verbinding tussen West-Europa en het Verre Oosten in de oudheid (via India?) tot stand kwam.

Een andere invalshoek: Sluit het Fenicische gedachtengoed aan bij wat er in het Verre Oosten aan denkbeelden naar boven kwam?
Dit is voor mij nog moeilijker na te gaan. Ik kan alleen het weinige noemen van wat ons aan denkbeelden over het leven en de wereld leefde bij de Feniciërs is nagelaten. Dat is niet veel. Dat heeft twee oorzaken. Enerzijds waren het lui, die zich daar niet zo mee bezig hielden. Voor hen was economische gewin verreweg het belangrijkste. Anderzijds waren er priesters in hun heiligdommen, die wel degelijk hierover schreven, maar ja, helaas op perkament, leer of papyrus en dat is vrijwel allemaal verloren gegaan. Er is een enkele schamele uitzondering, die via Eusebius (bisschop van Caesarea) tot ons gekomen is. In de 1e eeuw na Chr was er ene Philo van Byblos, die als een der laatste Fenicische geleerden in zijn stad probeerde nog iets van de oude Fenicische normen en waarden te redden door dat in het Grieks te vertalen. Zo vertaalt hij een Fenicische geschiedenis van Sanchuniathon (Sakon-Yaton = door Sakon gegeven) uit de 14e eeuw v.C. Naast een boel onzin over slangen bijvoorbeeld verhaalt hij echter ook over het ontstaan van de wereld en het begin van de mensheid. Hij verhaalt over het begin van de religie, waarbij de menselijke weldoeners/uitvinders eerst als helden werden vereerd en die later door de mensheid werden gezien als goden. Met name het opgenomen scheppingsverhaal is eigenlijk verrassend modern. Darwin zou het zo opgeschreven kunnen hebben. Het riekt in ieder geval naar de evolutietheorie. Ik heb enige passages hierbij weergegeven:





2.2.KOSMOGONIE
............
Vlg.Eusebius:
806:11                                               I,9,30
Philo, na deze zaken verklaard te hebben in de inleiding, begint de vertaling van Sanchuniathon en zet de Fenicische theologie min of meer als volgt voort:
............
806:15                                               I,10,1
Hij neemt als waar aan, dat in het begin alle dingen donker, winderig, mistig waren of door een windstoot van donkere mist en een troebele, waterig "chaos", donker als Erebos.(1)
806:16
Deze zaken waren grenzenloos en gedurende een lange periode hadden zij geen grens. Hij zegt:
Vlg.Philo:
806:17
En toen de wind zijn eigen primaire elementen liefhad en er een mengsel werd gevormd, werd dat 'plexus' Pothos (Verlangen) genoemd. Dit 'plexus' is de bron van de schepping van alle dingen. Maar hij [Pothos] had geen weet van zijn eigen schepping.
..........
806:20
En uit zijn verbinding [met de wind] werd 'Mot' geboren.
806:21
Sommigen zeggen, dat ['Mot'] een soort slijm is; anderen dat het een verrotting van een watermengsel is.
806:22
En uit deze verrotting werd elk zaad van de schepping en [het] ontstaan van alle [dingen] geboren.
‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑
1)            ofwel: Hij neemt als waar aan, dat er in het begin een donkere waaiende lucht was of een zweem van donkere lucht en een troebele duistere 'chaos'. (Ebach).



806:23                                               I,10,2
En er waren enige levende dingen, die geen zintuiglijke waarneming bezaten; hieruit werden levende wezens geboren, die verstandelijke vermogens (1) hadden. En zij werden "Zopasemin"(2) genoemd, hetgeen waarnemers van de hemelen betekent en zij hadden de vorm van een ei. En 'Mot' liet de zon en de maan, de sterren en de grote lichtgevende lichamen stralen. (3)
.........
Vlg.Eusebius:
806:27                                               I,10,3
Zo is hun kosmogonie, die openlijk de godloosheid introduceert. Laat ons vervolgens nu bekijken hoe hij zegt hoe de ontwikkeling van dieren zich ontwikkelde. Hij zegt dienovereenkomstig:
Vlg Philo:
806:28                                               I,10,4
En toen de lucht in licht veranderde (4), vanwege het verbranden van zowel het land als de zee, ontstonden er winden en wolken en grote stortregens vanuit de hemelen en overstromingen.
............
806:31
En toen [de wateren] apart werden gezet en gescheiden werden van hun oorspronkelijke plaats vanwege de zon,
............
807:3
En als gevolg van de botsing van de donders, ontstonden de verstandelijke wezens, die hierboven genoemd werden,
807:4
en als een gevolg van het lawaai werden zij angstig,
‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑
1)            ofwel: zintuiglijke waarneming. (Ebach).
2)            = hemelwachters vanuit aarde naar hemel of andersom.
3)            ofwel: en Mot gaf licht als de zon en de maan, de sterren en de grote lichtgevende lichamen. (Ebach).
                ofwel: en Mot had de vorm van een ei en Mot gaf licht.... enz.(Clemen).
4)            ofwel: En toen de lucht helder geworden was, ..... enz.      (Clemen).





807:5
en man en vrouw werden in beweging gezet in aarde en zee. (1)
Vlg.Eusebius:
807:6                                                I,10,5
En dit is hun optekening van de generatie van dieren. Na deze zaken gaat dezelfde auteur verder en zegt:
Vlg.Philo:
807:7
Dit zijn de zaken, die gevonden werden in de geschreven kosmogonie van Taautos en in de commentaren over zowel de veronderstellingen als de bewijzen, dat zijn geest zag en vond en aan ons overgebracht heeft.
............
Vlg.Eusebius:
807:10                                               I,10,6
Na deze zaken, waarbij de namen van de winden Notos, Boreos (2) en de anderen werden genoemd, gaat hij verder:
Vlg.Philo:
807:11
Maar aan deze, wijdden de ouden de producten van de aarde en beschouwden hen goddelijk;
807:12
en zij aanbaden deze zaken, waarop zij en allen, die hen vooraf gingen of hun nakomelingen zijn, hun leven vervolgden;
807:13
en zij voerden offers in van drank en wierook. (3)
‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑
1)            Alternatief voor I,10,4 vlg.Ebach: En toen de lucht in licht veranderd was door de hitte van het land en de zee, ontstonden er vanuit de hemelen winden en mist en grote stortregens en wolkbreuken. En toen de wateren apart werden gezet en gescheiden werden van hun oorspronkelijke plaats vanwege de gloed van de zon en toen alles in de lucht elkaar ontmoette en botsten, toen ontstonden donder en bliksem en als gevolg van het lawaai van de donderslagen werden de hierboven genoemde waarnemingskundige wezens opgeschrikt en werden in beweging gezet op de aarde en in de zee, mannetjes en vrouwtjes.
2)            ofwel zuiden en noorden wind.
3)            ofwel: en zij brachten hen gaven en offers. (Clemen).






807:14
Maar zij bewaarden medelijden, hartstocht en het treuren voor de afwijkende groei van de aarde en voor het eerste begin van de levende dingen van de aarde en voor [hun begin] en van ieder ander en voor hun einde, toen zij uit het leven stapten.
............
Vlg.Eusebius:
807:17
En hij vervolgt:
Vlg.Philo:
807:18                                               I,10,7
Dit waren de [uitgesproken] denkbeelden in [hun] aanbidding overeenkomend met hun zwakheid en hun gebrek aan moed in die tijd.

De verschillende nummeringen slaan op de verschillende notaties in de vertalingen.
Zo, en nou mag jij aan de bak. Lijkt het ook maar iets op de denkbeelden van het Verre Oosten?

Toetje: we kennen ook enige Fenicisch/Griekse filosofen/geleerden van allerlei pluimage:
Zenon.
1.van Kition. Hij werd in 333/2 v.c geboren in Kition, zoon van een rijke koopman Mnaséas. In 312/11 vertrekt hij naar Athene en verbreidt daar de leer van het Stoïcisme. Hij overlijdt in 264 v.C.
2.van Sidon. Leerling van Zenon van Kition. Auteur van o.a. “Sidoniaka” en “het leven van filosofen”.
Sidon is een geestelijk centrum:
In de 1e eeuw na Chr zegt men: Tegenwoordig worden de meeste wetenschappen bestudeerd te Sidon en Tyrus.
-Mochios, de Sidoniër, zou omstreeks 1000 v.C de atoomtheorie hebben ontdekt, alhoewel een enkele bron vermeldt, dat hij zelfs voor de Trojaanse oorlog geleefd heeft.
Môkhos stelt, dat het universum bestaat uit deeltjes atomen en iedere atoom voor zich is ook weer deelbaar. Democritus neemt deze theorie in de 10e eeuw v.C in gewijzigde vorm over. Damascius in de 6e eeuw na Chr zegt, dat Môkhos een interressante kosmogonie heeft ontwikkeld. Hij wordt overigens in een adem genoemd met Sanchuniathon bij Atheneus in Deipnophistae (126A): “degenen, die Fenicische geschiedenissen schrijven, jouw landgenoten Sanchuniathon en Mochos.”
-De tafels van vermenigvuldiging en de stelling van Pythagoras zouden in Sidon zijn opgesteld. Pythagoras (570-497 v.C) werd volgens een bron geboren in Sidon uit Tyrische ouders. Als 2-jarige werd hij gedoopt in het water van de Adonis-rivier bij Afka. Daarna ging hij naar Samos om o.a. bij Thales van Milete (ook een Feniciër) in de leer te gaan. Op 18 jarige leeftijd gaat hij terug naar Tyrus (school Môkhos). Hij volgt retraites op de berg Carmel. Vervolgens komt er een periode van gevangenschap in Egypte en Babylonië. Als hij 56 jaar is, zien we hem weer in Griekenland en dan pas komt zijn beroemde hypothese tot stand.
Een andere bron zegt, dat hij te Samos werd geboren. Hij wijkt uit naar Crotone. Daarna volgen grote reizen. In Babylonië komt hij in contact met Zarathoestra. Dan verder naar Arabië en Thrakië. Hij onderzoekt de getallenleer en de psychologie, kent veel navolging, maar er zijn geen eigen geschriften van hem bekend.
- Een vorm van kunst is ook de beeldhouwkunst, die zo prachtig tot uiting komt bij de vele prachtige sarcofagen, maar ook op diverse reliefs, zoals die van de pseudo-tribuun. Die moet omstreeks 350 v.C tot stand zijn gekomen. We zien een moeizame vermenging van Fenicische en Griekse motieven
-De filosoof Boëthos (2e eeuw v.C) maakt in Sidon een verhandeling over de aard van de ziel.
(alles naar zeggen van J.Mazel, boek 16). Hij hangt met zijn broer Diodotus het pantheïsme aan en beschouwt het universum als twee helften (een goddelijke en een wereldlijke). Een andere Boëthos van Sidon leeft t.t.v.Augustus en beoefent te Athene de  peri-pathetische filosofie.
-De dichter Antipater van Sidon werd elk jaar slechts op één dag, zijn verjaardag, door koorts overvallen en stierf daar ook aan, op behoorlijk hoge leeftijd (Plinius 7.172).
-Straton, de zoon van Straton uit Sidon munt uit in het bespelen van de cither tijdens de musea in Griekenland volgens een gedenksteen te Erimo-Kastro.
-Aratus van Soli uit Cilicia verbleef ergens na 275 v.C te Athene en sloot zich aan bij de  filosofische school van Stoa (Zeno van Kition). Hij schrijft over sterrenconstellaties en de hemelse sferen en hoe de mannen van Sidon op de sterren voeren:
“Het is door Helice (grote beer), dat de Achaeërs op de goddelijke zee hun weg vonden bij het besturen van hun schepen, maar in de andere ster (Cynosura of kleine beer) stelden de Feniciërs hun vertrouwen als ze de zee overstaken. Maar Helice, die groot verschijnt in het begin van de macht, is helder en makkelijk terug te vinden; maar de andere is klein, en toch beter voor de zeelui; want in een kleinere ruimte wentelen alle sterren. Door haar gidsfunctie sturen de mannen van Sidon hun rechte koers.”
Strabo is in de 1e eeuw na Chr onder de indruk van Sidon als een centrum van kunsten en wetenschappen (16.2.24): “De Sidoniërs zijn volgens de traditie bekwaam in vele mooie kunsten, zoals de dichter (Homeros) ook al uitlegt: en daarnaast zijn zij filosofen in de wetenschappen van astronomie en rekenkunde, waarbij zij hun studies begonnen zijn met practische berekeningen en met het zeilen bij nacht; want iedere tak van kennis heeft te maken met de handelaar en de scheepseigenaar; want bijvoorbeeld de geometrie werd uitgevonden, omdat de opmeting van landen nodig was door de Nijl, wanneer het zijn grenzen overschrijdt bij overstromingen. Deze wetenschap kwam bij de Grieken via de Egyptenaren; astronomie en rekenkunde kwam van de Feniciërs; en tegenwoordig bevindt zich de meeste verzameling aan kennis in elke andere tak van filosofie bij deze steden. En als we Poseidonius mogen geloven, dan komt het oude dogma over atomen van Mochus, een Sidoniër, die voor de Trojaanse oorlog werd geboren.”
Tijdens de Romeinse periode floreerde ook een school van beeldhouwers te Sidon. Zo kennen we een witte marmeren sarcofaag met beeldhouwpanelen, die de mythe van Marsyas voorstellen. De overblijfselen van Hermogenes (50 jaar) vinden in de sarcofaag zijn laatste rustplaats.