maandag 14 september 2015

Zuilen van Melqart

THE PILLARS OF MELQART?
=======================

De zuilen van Herakles worden omstreeks 700 v.C beschreven in de Griekse mythologie. De Romeinen zullen de benaming later als Hercules overnemen. De mythe houdt onder meer in, dat Herakles in de straat van Gibraltar twee zuilen uit elkaar houdt, waardoor Europa en Afrika van elkaar gescheiden worden. Wellicht is dit denkbeeld zelfs terug te voeren op het bijbelverhaal van Samson bij de Filistijnen, waarbij hij twee zuilen in een tempel sloopt, waardoor het geheel instort.

Met de zuilen van Herakles worden waarschijnlijk de bergen Djebel Musa bij Ceuta en de kaap van Gibraltar bedoeld. Op een kaart van Ptolemeus (100-178 na Chr) staan er bij Ceuta en Gibraltar daadwerkelijk pilaren. Overigens gaat het bij de zuilen van Herakles volgens de mythe eigenlijk om Atlas, want de mythe rept over één van de werken van Herakles, namelijk om de gouden appels te stelen van de Hesperiden (dochters van Atlas, die de tuin van Hera onderhielden). De titaan Atlas werd bij Homerus beschouwd als zetelend op de berg Atlas in het verre westen, die daar de hemel draagt op zijn schouders. In het verhaal ontheft Herakles nu Atlas van zijn zware taak, waardoor deze titaan de diefstal kan gaan plegen.*
Is het nu zo, dat de Feniciërs wellicht de Griekse benaming van de Grieken als zuilen van Melqart overnamen, of andersom, dat de Grieken een Fenicische naamgeving overnamen?

Via Philo van Byblos kennen we de Fenicische geschiedenis van Sanchuniathon, die als een van de vroegste mensen Ousoos noemt, die te Tyrus twee gedenktekens oprichtte. Sanchuniathon leefde in de 14e eeuw v.C (als hij werkelijk heeft bestaan) en Philo vertaalde de Fenicische tekst in de 1e eeuw na Chr. Van wie stamt de overlevering werkelijk af?

Van de mythe definitief naar de tastbare steen: Koning Salomo laat in de 10e eeuw v.C door Fenicische handelslieden een tempel bouwen, waarschijnlijk naar het voorbeeld van de tempel van Melqart te Tyrus. Voor zijn tempel bij de ingang staan twee zuilen, die Jachin en Boas worden genoemd. Herodotos beschrijft vijf eeuwen later de zuilen van de tempel van Melqart te Tyrus als volgt (I,2):
“...... Ik heb deze ook gezien: rijk voorzien van alle mogelijke wijgeschenken en er waren daarin twee zuilen, een van zuiver goud en de andere van smaragdsteen, die des nachts een geweldig licht uitstraalde.”

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------
* Er zijn ook andere versies van o.a. Strabo en Diodorus.







Nu is het verleidelijk om met de hiervoor vermelde gegevens in één keer de verbinding naar de Zuilen van Melqart te leggen. Het ligt zo voor de hand. Toch moeten we daar voorzichtig mee zijn. Bij Griekse tempels komt het fenomeen van de twee hoekzuilen bijvoorbeeld niet of nauwelijks voor, terwijl zij toch vooral met deze mythe schijnen te zijn komen aandragen.
Voor de diepere betekenis van de zuilen of bergen moeten we wellicht verder teruggaan in de tijd. Bij de Egyptenaren hebben we het fenomeen van de obelisken. Egypte bestond in feite uit twee koninkrijken: boven-Egypte en beneden-Egypte. In elk dier hoofdsteden stond een grote obelisk. De obelisken van Memphis en Thebe stonden voor het opgaan in een nieuwe wereld. Ditzelfde idee lijkt terug te komen bij de straat van Gibraltar, waar de zeelieden ook een nieuwe wereld en een nieuwe zee ingingen. Gezien de nauwe verbindingen tussen Fenicië en Egypte is het niet zo gek deze relatie hier te aan te brengen.

Er is ook een andere invalshoek te maken met de godheid Melqart als centrale figuur.
Tussen de goden van het oude Nabije Oosten, die stierven en weer tot leven kwamen, figureert vooral Melqart, de koning van de stad, de heer van Tyrus. Zijn dood en heropstanding werd gevierd door de Tyriërs. Volgens Menander van Ephesus (via Josephus Ant.Iud.VIII 5,3) begonnen tijdens de regering van Hiram I (970-936 v.C) de inwoners van Tyrus zijn feestdag te herdenken in de maand “peritius” (februari/maart). Met de koloniale expansie van Tyrus verhuisde ook de mythe van Melqart mee naar het westen. Zo kwam een versie van dit verhaal ook aan in Spanje. Sallustius (1e eeuw v.C) heeft het over de Aphri en in dit verband noemt hij het graf van de god in de tempel te Gades. Pausanius (IX 4,6) schijnt ook te verwijzen naar de viering van de dood en de wederopstanding te Gades. Tijdens die festiviteiten moesten de vreemdelingen de stad verlaten en een afbeelding van de godheid gezeten naast of op een hippocamp werd verbrand.








Tijdens het feest van Melqart te Gadir zongen de mensen liederen ter zijner ere. Philostratus (Vita Apol.V 4) brengt dat ertoe te beweren, dat de inwoners van Gades de enigen ter wereld zijn, die de dood in gezangen vieren.

De Feniciërs moeten enige verhalen omtrent het leven van Melqart hebben opgeschreven. Zijn identificatie met Herakles, of misschien beter, de identificatie van Herakles met Melqart wijst op de werken en reizen. Niets daarvan is bewaard gebleven, zelfs niet bij de klassieke schrijvers. Een directe link tussen de werken van de Griekse held en de Fenicische mythe lijkt dus niet aanwezig te zijn.
Toch wijst Yu.B.Tsirkin in zijn artikel “The Labours, Death and Ressurection of Melqart as depicted on the Gates of the Gades’ Herakleion” (RSF 1981) op een mogelijke aanwijzing. Silius Italicus (III 32-44) beschrijft namelijk de poorten (van de tempel) te Gades en vermeldt de afbeeldingen daarop:
- Hydra van Lerna met gesnoeide slangen;
- het gewurgde hoofd van de Nemeïsche leeuw;
- de wachter (Cerberus) van de Styx, die de doden schrik aanjaagt door zijn wilde blaffen, tierend in zijn ketenen, als hij uit zijn eeuwige kelder wordt gesleept;
- Megaera;
- Thracische paarden, die mensenvlees eten;
- de wilde beer van Erymanthus;
- de geweien van de koperpotige hinden;
- het kind van het Libysche land (Antaeus);
- de centauren (half mens, half paard);
- de rivier Acarnania (Achelons met één hoorn);
- de berg Oeta in vuurgloed.

Als we er vanuit mogen gaan, dat Silius Italicus niet alles uit zijn duim heeft gezogen, dan zou Melqart heel wat mythische dieren geknecht hebben, een rol spelen in de gang naar de onderwereld en symbool kunnen staan voor diverse natuurlijke gegevens als bergen en rivieren.


Sancti Petri







Maar er is meer en daar hecht ik nog meer geloof aan. Silius Italicus beschrijft verder een ander gezicht (of afbeelding op die poorten?) en wel de werking van de zee. Nereus en Neptunes worden erbij gehaald om de furieuze werking van eb en vloed rond Gadir te beschrijven. Ook Strabo verhaalt hierover. En dat is veel woester dan in de Middellandse zee voorkomt. Er opent zich een nieuwe wereld!

De combinatie van tempelzuilen, de poorten van de tempel op Sancti Petri, de bergen Gibraltar (Calpe) en mogelijk Dj.Musa of Monte Hacho (Abyla), de identificatie Melqart/Herakles, het zeepaard, de beschrijving van de oceaan, de rivier van de doden etc etc maakt, dat we inderdaad wellicht van de zuilen van Melqart kunnen spreken. Een 100% sluitende bewijsvoering ontbreekt echter. Ook de klassieke overleveringen van de zuil van rook en die van vuur en de holle zuil met alle relaties van dien naar de bergen aan de straat van Gibraltar kunnen dat niet ten volle brengen.


Straat van Gibraltar
 
 








Klassieke overleveringen:
-------------------------------
Deze zijn bepaald niet eenduidig en veelal tegenstrijdig.

De oudste klassieke vermeldingen van de Zuilen zijn nogal vaag, omdat men deze wereld niet echt goed kende. De Zuilen fungeren meer als ijkingspunt.
Herodotos is daar een goed voorbeeld van:
I, 202: “... Want de gehele zee, die door de Grieken wordt bevaren en de zogenaamde Atlantische zee buiten de Zuilen en de Rode Zee zijn eigen één zee.” Eigenlijk een zeer moderne opvatting!
II, 33: ... De Kelten nu wonen buiten de zuilen van Héraklès en grenzen aan de Kynesiërs, die van alle in Europa wonenden het verst naar het westen wonen.” De Algarve komt in beeld.
IV, 8: .... Geryonès echter woonde buiten de Pontos en wel op het door de Grieken Erytheia genoemde eiland bij Gadeira buiten de zuilen van Héraklès aan de Okeanos.” Al snel belanden we in de wereld van legendes en mythen.
IV, 42: ... zodat ze na verloop van twee jaren in het derde jaar de Zuilen van Héraklès omvoeren en weer in Egypte kwamen.” Dit is een fragment van de reis van Feniciërs rond Afrika t.t.v.Necho.
IV, 185: Tot en met die Atlanten kan ik de namen opsommen van de mensen, die in de zandstrook wonen, maar verder niets meer. In elk geval loopt de strook tot de Zuilen van Héraklès en daar nog voorbij.” De Sahara kan hij niet goed plaatsen.
Herodotos gaat niet echt in op de Zuilen zelf, maar Heracles wordt er wel standaard aan gekoppeld.




Sommige klassieke schrijvers signaleren naast het ijkingspunt ook gebeurtenissen en omstandigheden bij en omtrent de Zuilen:

Appianus:
Spain 2.57 in the time of Mummius and the Lusitanians under Caucaenus.
“…. And near the Pillars of Hercules they crossed over the ocean and some of them overran a part of Africa….” (c.153 BC).
Preface 1: “… Then entering the Mediterranean by the Pillars of Hercules….”
Mithridatic Wars 93: “…. They dominated now not only the Eastern waters, but the whole Mediterranean to the Pillars of Heracles.” (time of the Pirates/Pompeius).

Polybius:
2,1: “… stak bij de Zuilen van Herakles over en begon de macht over Spanje voor de Carthagers te veroveren.” (Veldtocht Hamilcar Barcas in 238/7 v.C).

3,37: Opdeling bewoonde wereld in drie delen, waarbij de zuilen van Herakles een belangrijk ijkingspunt zijn.

3,39: Betreft de afstanden van de Zuilen naar de Pyreneeën (=8000 stadiën), naar Carthago-nova (=3000 stadiën).

10,7: “... Mago hield zich op aan deze kant van de Zuilen van Herakles in het gebied van de Koniërs (begintijd Scipio Africanus in Spanje).

10,40: “... de grootste en mooiste gebieden van Noord-Afrika vanaf de altaren van Filainos to aan de Zuilen van Herakles in de macht van zijn vaderland gebracht...” (Dit gaat over Scipio Africanus, maar zover was het nog niet in zijn verhaal).

16,29: “... want de straat bij de Zuilen van Herakles is vele malen breder dan die bij de Hellespont. De eerstgenoemde straat is zestig stadiën breed en die bij de Abydos twee.....
.... Maar de zee-engte bij de Zuilen van Herakles wordt slechts zelden en dan nog door weinig mensen gebruikt, omdat er geen regelmatig contact is tussen de volkeren, die aan de punt van respectievelijk Europa en Afrika wonen en omdat men onbekend is met de Buiten-Oceaan.”
(vergelijking met de zeestraat van Abydos).




De volgende klassieke schrijvers gaan meer in op het karakter en uiterlijk van de Zuilen:

Het idee van de twee eilanden:
Euctemon (5e eeuw v.C) komt daar als eerste mee, waarin hij gevolgd wordt door Artemidorus (late 2e eeuw v.C). Zij worden geciteerd door Strabo (Geography III 5,3):
“Close to the Pillars there are two isles, one of which they call Hera’s Island; moreover there are some who call these isles the Pillars.”

Strabo (Geography III 5,5):
“…… Again, some have supposed that Calpe and Abilyx are the Pillars, Abulyx being that mountain in Libya opposite Calpe which is situated, according to Erastosthenes, in Metagonium, country of a nomadic tribe; while others have supposed that the isles near each mountain, one of which they call Hera’s Island, are the Pillars. Artemidorus speaks of Hera’s Island and her temple, and he says there is a second isle, yet he does not speak of Mount Abilyx or of a Metagonian tribe.”
Kan hier de relatie Aštarte-Hera-Juno een rol spelen?
Strabo noemt de zuidelijke zuil Mons Abilyx. De zeestraat is volgens hem slechts 60 stadiën breed en bij Abilê maakt hij gewag van een monument voor de zeven broers. De lengte van de zeestraat bedraagt volgens hem 120 stadiën. De berg Abilê is vergeven van wilde dieren en hoge bomen. De breedte van de zeestraat is gemeten bij Elephas, maar waar ligt dat? Is dat Benzu, waar zoveel ankers en amforen zijn gevonden?

Avienus (Ora Maritima 350-369) volgt deze gedachtengang van de twee eilanden en noemt ook Abila. Hij toont daarbij de Fenicisch/Punische oorsprong van de naam aan.
In werkelijk zijn er ook twee eilanden bij de kapen. Paloma in Spanje en Perejil in Marroko.

Het lijkt dus allemaal duidelijk te zijn met die twee eilanden, maar dat is het niet, want Strabo gaat in zijn verdere berichtgeving voor verwarring zorgen:
“ ... Calpe, the mountain near the Pillars” > Calpe is dus niet een zuil!
“ … those pillars which are in the temple of Heracles at Gades to the Pillars of Heracles is less reasonable …” > Zijn er nu vier verschillende zuilen??
“ I mean Calpe, which, although its circumference is not great, rises to so great a height and is so steep that from a distance it looks like an island.” > De zuilen liggen kennelijk geisoleerd van het vasteland en lijken daarom eilanden! De zuilen zijn dus schiereilanden.

De zuidelijke zuil wordt dus mogelijk gevormd door de Djebel Musa (842 m). De Romeinen noemen dit Ad Abilem.
Ptolemeus (Geography IV 3,4 + 3,7) distinguishes Ad Septem Fratres (lengte 7 graden 40 minuten, breedte 35 graden 50 minuten) from the Pillar of Abila (lengte 7 graden, breedte 35 graden 40 minuten) locating the latter to the SE of Ceuta.

The Itinerarium Antonius makes a distinction between the town Ad Septem Fratres (Ceuta) and the Pillar (monte del Hacko) situated NE of the town.

Plinius noemt in dit verband (III 4) de drempel van de Middellandse zee.
“Waar de engte het smalste is, versperren aan weerskanten hoge bergen de doorgang, de Abila in Afrika, in Europa de Calpe, de grenspalen van de werken van Hercules. Daarom noemen de inheemse volken dit de zuilen van deze god en ze geloven, dat dit gebergte eerst moest worden doorgestoken en daarna de zeeën heeft binnengelaten, die tevoren waren buitengesloten, en dit heeft vervolgens de aanblik van de natuur ingrijpend veranderd.”

Pomponius Mela (I 27) noemt ook beide kapen:
“Darauf folgt ein sehr hoher Berg, der dem, den Spanien auf der Gegenseite aufsteigen lässt, gegenüber liegt: Dieser heisst Abila, jener Kalpe, beide zusammen Säulen des Herakles.”
Pomponius Mela komt ook bij Abila met de sage, dat Hercules de bergen hier gescheiden kan hebben. Hij vervolgt in boek I,28: “Voor de verdere rest is de omgeving onbelangrijk en er valt nauwelijks iets beroemds te ontdekken. Het wordt door kleine steden bevolkt, laat kleine rivieren in zee uitmonden en is eerder door de bodemgesteldheid en door de mensen van belang. Door de slapheid van de bevolking is dit gebied onberoemd.” Mela heeft geen al te hoge dunk van de streek,maar hij voegt er nog een eigenaardigheid aan toe. De zuidelijke zuil bestaat eigenlijk uit zeven sterk op elkaar gelijkende bergen, die daarom de zeven broers worden genoemd.

Dan is er nog een klassieke benaming van de “prom. Abilyce”=”Herculea Columna Libyae”, maar dit is niet de Djebel Musa, maar eerder “Acho Ceuti”.
Dit sluit aan bij de oprmerking van Ps.Skylax: “the low pillar is in Libya and the high one lies in Europe. They are separated from each other by a day-long voyage.” Inderdaad is de rots van Gibraltar meer dan 400 meter hoog en de Monte Hacho bij Ceuta slechts wat meer dan 100 meter.





De Djebel Musa lijkt een rol te spelen in het verhaal van Moses en zijn dienaar Joshua bij de samenvoeging van de twee zeeën. Deze legenda is opgenomen in de Qur’an en wordt geïdentificeerd met de straat van Gibraltar. Abu ḥamid al Garnaṭi (1180-1169/70 na Chr) was een Andalusische cosmograaf en reiziger en hij plaatst de rots van Moses te Ceuta (Sabta): “In deze stad is de rots, waar Moses aankwam en waar Joshua de geroosterde vis vergat ....”
De Griekse en Latijnse schrijvers uit de oudheid zien de Djebel Musa als een pilaar van Herakles en noemen die Abila.

Ps.Skylax hanteert echter een oudere naam: Apini. Dit is terug te voeren op Abini, ofwel het Fenicische ’ b n = steen of gedenksteen.

Orosius vermeldt omstreeks 414 na Chr. de straat van Gibraltar als volgt: “fretum Gaditanum quod inter Habennae et Calpis duo contrario sibi promuntaria coartatur.” = the straits, which narrow between the two opposite promontories of Abenna and Calpe.
            |-> Abenna   |-> Calpe

Eustathius in de Paraphrase of Dionysius Periegetes: “as for the Libyan (Pillar) it is called Abenna (Αβεννα) by Barbarians, but Huntress in Greek.”

Philostratus (geb.170 na Chr) gebruikt ook deze namen in zijn boek : “Het leven van Apollonius van Tyana” (V,1): “the extremity of Libya, which bears the name Abinna.”
(Ονομα δέ αΰτη Άβίννα).
De verwisseling van de n naar de l komt ook voor in de Fenicische en Berberdialecten, waardoor Abil ten tonele verschijnt. Volgens Strabo voegt Eratosthenes na Apina (Απινι) er nog wat aan toe met de naam Abiluka (Άβίλυκα). Deze toevoeging staat voor vouw en baai. Gecombineerd krijg je dan de steen van de baai. De oorspronkelijke waarschijnlijk Fenicische naam van de Djebel Musa is dus gewoon steen of gedenksteen. Die laatste mogelijkheid komt vooral in beeld, omdat op de top van de Djebel Musa resten zijn gevonden van een nog niet geïdentificeerd heiligdom.
De baai doet denken aan Benzu, dat door Ptolemeus Exilissa (Eξίλισσα) genoemd kan zijn. In het Fenicisch zou dit ḥeq-še-‘Elišša kunnen zijn (=baai van Elissa).

Rest nog een enkel woord over het eilandje Perejil, dat V.Bérard gelijk stelt aan het mythische eiland van Ogygia, waar Calypso, de dochter van Atlas, Odysseus zeven jaren wist te vermaken. Het zal eerder de rol van heiligdom voor de passerende zeevaarders vervuld hebben. Ongeveer net zoiets als Gorham’s cave aan de overkant te Gibraltar.




Diodoros verzamelt eigenlijk legenden en daarnaast alle meningen, die hij bij anderen is tegen gekomen:

IV 18.1: ... And after Heracles had visited a large part of Libya he arrived at the ocean near Gadeira, where he set up pillars on each of the two continents.

IV 18.4: But since we have mentioned the pillars of Heracles, we deem it to be appropriate to set forth the facts concerning them. When Heracles arrived at the farthest points of the continents of Libya and Europa which lie upon the ocean, he decided to set up these pillars to commemorate his campaign. And since he wished to leave upon the ocean a monument which would he had in everlasting remembrance, he built out both the promontories, they say, to a great distance; consequently, whereas before that time a great space had stood between them, he now narrowed the passage, in order that by making it shallow and narrow he might prevent the great sea-monsters from passing out of the ocean into inner sea, and that at the same time the fame of their builder might be held in everlasting remembrance by reason of the magnitude of the structures. Some authorities, however, say just the opposite, namely, that the two continents were originally joined and that he cut a passage between them, and that by opening the passage he brought it about that the ocean was mingled with our sea. On this question, however, it will be possible for every man to think as he may please.”

V 5: In telling stories of the following sort about the founding of Gades, the Gaditanians recall a certain oracle, which was actually given, they say, to the Tyrians, ordering them to send a colony to the Pillars of Heracles: The men who were sent for the sake of spying out the region, so the story goes, believed, when they got near to the strait of Calpe, that the two capes which formed the strait were the ends of the inhabited world and of Heracles’ expedition and that the capes themselves were what the oracle called “Pillars”; and they therefore landed at a place inside the narrows, namely, where the city of the Exitanians now is; and they offered sacrifice, but since the sacrifices did not prove favourable they turned homeward again; but the men who were sent at a later period, went on outside the strait, about fifteen hundred stadia, to an island sacred to Heracles, situated near the city of Onoba in Iberia, and believing that this was where the Pillars were they offered sacrifice to the god, but since again the sacrifices did not prove favourable they went back home; but the men who arrived on the third expedition founded Gades, and placed the temple in the eastern part of the island, but the city in the eastern (western!). For this reason some are of the opinion that the capes at the strait are the Pillars; other, Gades; and others, that they lie on ahead still farther outside the strait than Gades. Again, some have supposed that Calpe and Abilyx are the Pillars, Abilyx being that mountain in Libya opposite Calpe which is situated, according to Eratosthenes, in Metagonium, country of a nomadic tribe; while others have supposed that the isles near each mountain, one of which they call Hera’s island, are the Pillars. Artimedorus speaks of Hera’s island and her temple, and he says there is a second isle, yet he does not speak of Mount Abilyx or of a Metagonian tribe. There are some who transfer hither both the Planctae and the Symplegades, because they believe there rocks to be the pillars which Pindar call the “gates of Gades” when he asserts that they are the farthermost limits reached by Hercles. And Dicaearchus, too, and Eratosthenes and Polybius and most of the Greeks represent the Pillars in the neighbourhood of the strait. But the Iberians and Libyans say that the Pillars are in Gades, for the regions in the neighbourhood of the straint in no respect, they say, resemble pillars. Others say that it is the bronze pillars of eight cubits in the temple of Heracles in Gades, whereon is inscribed the expense incurred in the construction of the temple, that are called the Pillars; and those people who have ended their voyage with visiting these pillars and sacrificing to Heracles have had it noisily spread abroad that this is the end of both land and sea. Poseidonius too, believes this to be most plausible account of the matter, but that the oracle and the many expeditions from Tyre are a Phoenician lie. Now, concerning the expeditions, what could one affirm with confidence as to their falsity of the trustworthiness when neither of the two opinions is contrary to reason? But to deny that the isles or the mountains resemble pillars, and to search for the limits of the inhabited world or of the expedition of Heracles at Pillars that were properly so called, is indeed a sensible thing to do; for it was a custom in early times to set up landmarks like that.”

Overzicht in chronologische volgorde:
naam
tijd
opmerkingen
Herodotus
5e
algemeen
Euctemon
5e
2 eilanden Hera
Ps.Skylax
4e
Lage pilaar Libya, hoge pilaar Europa
Eratosthenes
3e
Apini + Abiluka
Artimedorus
2e
2 eilanden Hera
Polybius
2e
algemeen
Plinius
1e
Algemeen
Diodoros
1e
Alle meningen/Calpe+Abilyx/planctae+ Symplegades/ Gades/ gewoonte land’marks’
Strabo
1e/1e AD
Pilaren met 2 eilanden/schiereiland/Hera/Abilyx
Pomponius Mela
1e AD
Abila + Kalpe
Ptolemeus
2e AD
Ad Septem Fratres + pilaar Abila
Philostratus
2e AD
Abinna
Itinerarium Antonini
3e AD
Ad Septem Fratres + pilaar Monte del Hacko
Peutinger tafel
3/4e AD

Avienus
4e AD
Abila (geeft Fenicische oorsprong weer)
Eustathius
4e AD
Abenna ofwel de jageres
Orosius
5e AD
Habennae + Calpis






--------------------------------------------------------------------------------------------------------------


Conclusie:
De Grieken verzinnen een heleboel verhalen omtrent de zuilen, die voor het merendeel verzinsels zijn. De vermoedelijke werkelijkheid zal heel eenvoudig kunnen zijn. De Feniciërs kwamen bij de straat van Gibraltar aan en realiseerden zich, dat ze toch wel in een wat andere wereld en nog meer in een andere zee gingen belanden. Het lag voor de hand, dat ze aan weerszijden van de straat een gedenkteken, grenspaal of baken hebben opgericht. Waar precies is niet te zeggen. De rots van Gibraltar en de Monte Hacko bij Ceuta liggen voor de hand, maar het kan in een wellicht wat later stadium ook op de eilandjes en/of de Djebel Moussa en/of Tarifa gebeurd zijn.
In dit verband is een inscriptie van belang. KAI 78.4/6 van overigens een geheel andere plek maakt nu juist gewag van zo’n gedenkteken als baken:
MnṢbt pslt...[h]’ ’bn ’rkt bkrš b‘lḥmn pny mb’šmš wṢd’ mṢ’ šmš
A sculpted stele, being a tall stone bearing the figure of Baal-hammon, his face to the West and his back to the East.
’bn = steen!
Dit lijkt heel toepasselijk voor de kapen bij de zeestraat, temeer, daar de Griekse en Latijnse namen voor Ceuta spreken over Abinna, Habennae, Abenna en dat verwijst naar het Fenicische ’bn.  
Tot zover heeft het nog niets te maken met de Zuilen van Herakles. Dit is waarschijnlijk wel terug te voeren op de twee zuilen van de tempel van Melqart bij Gadir, waar de zeelui na de geslaagde overtocht een offer brachten. Deze zuilen van Melqart werden door de Grieken de Zuilen van Herakles genoemd en verplaatsten ze voor het gemak maar meteen naar de kapen aan de zeestraat. Dat was nog net in hun gezichtsveld. Zo gemakkelijk kwamen de Grieken niet in het gebied van de Atlantische oceaan. Bovendien sloot het prachtig aan op hun legende over Herakles & Atlas.

Enige literatuur:
Boek 282: ITINERARIA PHOENICIA. Edward Lipinski. Orientalia Lovaniensia Analecta nr 127. Studia Phoenicia XVIII. Uitgeverij Peeters en Departement Oosterse Studies. Leuven – Paris – Dudley, MA 2004. Een soort reisverslag langs de vele kusten van de Middellandse zee en de Atlantische oceaan.
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Boek 220: 220.PLINIUS De Wereld. Naturalis historia. Vertaald door Joost van Gelder; Mark Nieuwenhuis en Ton Peters. Atheneum – Polak & van Gennep. Amsterdam 2004.
Boek 437: 437.POMPONIUS MELA Kreuzfahrt durch die Alte Welt. De chorographia libri tres. Kai Bodersen. Wissenschaftliche Buchgesellschaft Darmstadt. 1994.
Map 171: Map 171 Strabo- volledige inhoudsopgave- mijn gegevens over Strabo- inhoud boek 434 Strabon Géographie, Germaine Aujac, Paris 1969 Met uittreksel + kaarten- uitdraai LucusCurtius Strabo’s Geography book XVII Chapter 3.
Map 36.6 RIVISTA DI STUDI FENICI 1981, vol IX 1 ‑The Labours, Death and  Resurrection of Melqart as Depicted on the Gates of the Gades' Herakleion Yu.B.Tsirkin.
Map 80.15 The Pillars of the Phoenicians A suggested Historical Origin for The Legend of The Pillars of Hercules William Serfaty 1.Mythology (Fiction) 2.Historical Origin 3.Traders 4.The Spiritual Significance of the Concept of the Pillars 5.The Western Pillars 6.Enforcement of the Warning.
Map 86.22  Islote de Sancti Petri con el templo de Melkart, Principal.






donderdag 10 september 2015

Vogeltjes

BIRDS
KAI 69.11 (Pu) : [bṢ]pr ’gnn ’m ṢṢ šlm kl[l] ’m šṢp ’m ḥzt lkhnm ksp rb’šlšt zr 2 b’ḥd = For an ’gnn-bird or ṢṢ-bird that is entirely intact or for a šṢp or for a ḥzt, the priests shall receive 2 three-quarter silver zr for each.
KAI = H.Donner – W.Röllig, Kanaanaïsche und aramaïsche Inschriften, Wiesbaden 1962-64 (3e ed. 1971-76).
The general word for bird = ’ g n n
Hawk = Ṣ Ṣ
Another kind of bird? = ḥ z t
Another kind of bird? = š Ṣ p
Monetary weigh or value = z r
See: Charles R.Krahmalkov, Phoenician-Punic Dictionary, Leuven, 2000, p.31.





zondag 16 augustus 2015

FILOSOFIE

Feniciërs als verbinders in de filosofie tussen Europa en het Verre Oosten?

Dat is een donders moeilijk onderwerp, zeker voor mij, die nauwelijks kaas heeft gegeten van de filosofie. Ik ben er toch maar eens in gedoken om een begin van antwoord op jouw vraagstelling te vinden:

Jouw Email 26-03-2013:
Ik heb wat filosofiecursussen gevolgd de afgelopen najaren en het is opvallend dat er min of meer tegelijkertijd zowel in Europa/Griekenland als in het Verre Oosten hetzelfde gedacht werd door de filosofen. Met buigt zich er nog over of dat toeval is of dat er bijvoorbeeld toch contacten zijn geweest. Zouden Feniciërs daar een rol kunnen hebben gespeeld?

Mijn eerste opwelling is om er meteen maar nee tegen te zeggen, maar zelfs voor een bot nee moet je toch ook met enige vorm van argumentatie komen. Misschien ga ik ook nog wel van mening veranderen.

De eerste vraag, die bij mij naar boven komt, is: Zouden ze er fysiek toe in staat zijn geweest om een direct lijfelijk contact tussen filosofen van beide werelden tot stand te brengen in de periode, dat we kunnen spreken van Feniciërs?
De Feniciërs waren als entiteit (ruim bemeten) aanwezig van c.1400 v.C tot en met de 4e eeuw na Chr.
In het begin treffen we ze aan in de Libanon, Israël en Syrië. Ze noemen zich geen Feniciërs. Die naam komt van de Grieken. In feite was het een vermenging van volken en stammen, waarbij de Kanaänieten het hoofdbestanddeel vormden. Zo noemden zij zich en dat blijven ze doen tot zelfs bij St.Augustinus, de bisschop van Hippo Regius in Noord-Afrika (eind 4e eeuw na Chr). De Feniciërs zijn dus voor een belangrijk deel autochtoon te noemen, maar dat laat onverlet, dat er ook andere stammen zijn binnengekomen en die zijn goeddeels geassimileerd. In de wetenschappelijke wereld wordt er nog steeds hevig gediscussieerd over de herkomst van de Feniciërs en dat was in de oudheid ook al zo. Zo zijn er klassieke schrijvers, die zeggen dat ze afkomstig zouden zijn vanuit de Rode zee, Zuid-Arabië, Perzische golf. Nu liggen er in die gebieden ook daadwerkelijk aanknopingspunten om zulks te veronderstellen, maar het is moeilijk uit te maken, of dat met de herkomst of met de latere uitwaaiering te maken heeft.
Er is zelfs een hedendaagse stroming, die er van uit gaat, dat in ieder geval één stam uit India komt. Die zouden als stam (Pani) een onderdeel vormen van de Rig Vedda. Ze zouden via de Perzische golf uiteindelijk Kanaänietisch gebied hebben bereikt. Er zijn nog andere theorieën te noemen, maar die worden steeds fantastischer en niet of nauwelijks meer te geloven.
In het beste (voor mij onwaarschijnlijke) geval kan er dus een stam geweest zijn uit India en dat ligt al dichtbij China.
Vanaf c.1200 v.C gaan de Feniciërs als een soort zeezigeuners uitwaaieren over de Middellandse zee en vanaf c.1000 v.C gaat dat meer gestructureerd onder de paraplu van de lokale heersers van vooral Tyrus, Sidon en Arwad. Ook zien we ze dan opduiken in de Rode zee in een ‘joint venture’ met Salomo van het Joodse rijkje. Ook over land dirigeren ze hun karavanen door het Midden-Oosten en uiteindelijk ook door de Sahara. Vanaf de 9e eeuw bevaren ze Atlantische kusten van Spanje, Portugal en Marokko. Farao Necho stuurt ze in 605 v.C volgens Herodotus om Afrika heen. In de 6e/5e eeuw ondernemen de Carthagers Hanno en Himillco hun zeetochten naar West-Afrika en West-Europa. Indrukwekkend allemaal, maar ze komen niet in de buurt van het Verre Oosten. Het dichtst bij China komen ze in het kielzog van Alexander de Grote, die tot in Afganistan en India kwam. Arrianus bericht daarover: Fenicische marskramers volgden op enige afstand het leger van Alexander.


Je bent dus in eerste instantie geneigd te geloven, dat de Feniciërs geen directe verbinding tussen dit oost en west tot stand hebben gebracht, ware het niet, dat in de Carthaagse legers van de 3e eeuw v.C opeens olifanten opduiken met Indische menners. Hoe kwamen die daar dan terecht? Het antwoord ligt waarschijnlijk bij de Grieken. Pyrrhus van Epirus was de eerste, die in het westen gebruik maakte van deze tanks uit de oudheid. Hij kreeg ze via de Hellenistische diadochen, die na Alexander de Grote over het Midden-Oosten zijn gaan heersen. En ook Carthago kwam zo aan een zooitje olifanten met hun berijders via farao Ptolemeus van Egypte, die dus in feite een Griek/Macedoniër was. Het kan natuurlijk wel zo zijn, dat de Fenicische marskramers (zie: Arrianus) in het kielzog van het leger van Alexander de Grote daarbij een rol hebben gespeeld. In dit verband is het opmerkelijk, dat de eilanden van Bahrein toen de Griekse namen Tylos en Arados hadden, hetgeen gewoon afgeleid is van de Fenicische steden Sour/Tyrus en Arwad. Er is meer Griekse inbreng via het heerschap Eudoxus van Cyzikus (overlevering via Strabo). Deze ontdekkingsreiziger ging vanuit Egypte in de 1e eeuw v.C op pad met een schip in de Rode zee. Hij wist via de Indische oceaan India te bereiken. Hij deed dat nog een keer, omdat zijn meegebrachte goederen de eerste keer door de Griekse farao in beslag werd genomen. Op zijn terugreis uit India raakt hij uit de koers en spoelt aan in Somaliland, waar hij een (ander) scheepswrak tegenkomt. Hij neemt de boegspriet ervan mee terug naar Alexandrië en in de haven aldaar herkennen Fenicische zeelui van Gadir (nu:Cadiz) het als afkomstig van een van hun schepen. De Gaditanen hebben dus, als het verhaal waar is, Afrika ook van de andere kant om bijna helemaal omzeild, maar het is nog steeds niet de kant van het Verre Oosten op. We moeten wachten tot c.150 na Chr, wanneer een Griek Ptolemaios een prachtig uitgevoerde wereldkaart vervaardigd, waarop ook India en China (weliswaar verkeerd) staan afgebeeld, maar toch: men had toen weet van China en omgeving!
Al bij al denk ik, dat het via de Grieken moeten zijn geweest, als er al ooit een verbinding tussen West-Europa en het Verre Oosten in de oudheid (via India?) tot stand kwam.

Een andere invalshoek: Sluit het Fenicische gedachtengoed aan bij wat er in het Verre Oosten aan denkbeelden naar boven kwam?
Dit is voor mij nog moeilijker na te gaan. Ik kan alleen het weinige noemen van wat ons aan denkbeelden over het leven en de wereld leefde bij de Feniciërs is nagelaten. Dat is niet veel. Dat heeft twee oorzaken. Enerzijds waren het lui, die zich daar niet zo mee bezig hielden. Voor hen was economische gewin verreweg het belangrijkste. Anderzijds waren er priesters in hun heiligdommen, die wel degelijk hierover schreven, maar ja, helaas op perkament, leer of papyrus en dat is vrijwel allemaal verloren gegaan. Er is een enkele schamele uitzondering, die via Eusebius (bisschop van Caesarea) tot ons gekomen is. In de 1e eeuw na Chr was er ene Philo van Byblos, die als een der laatste Fenicische geleerden in zijn stad probeerde nog iets van de oude Fenicische normen en waarden te redden door dat in het Grieks te vertalen. Zo vertaalt hij een Fenicische geschiedenis van Sanchuniathon (Sakon-Yaton = door Sakon gegeven) uit de 14e eeuw v.C. Naast een boel onzin over slangen bijvoorbeeld verhaalt hij echter ook over het ontstaan van de wereld en het begin van de mensheid. Hij verhaalt over het begin van de religie, waarbij de menselijke weldoeners/uitvinders eerst als helden werden vereerd en die later door de mensheid werden gezien als goden. Met name het opgenomen scheppingsverhaal is eigenlijk verrassend modern. Darwin zou het zo opgeschreven kunnen hebben. Het riekt in ieder geval naar de evolutietheorie. Ik heb enige passages hierbij weergegeven:





2.2.KOSMOGONIE
............
Vlg.Eusebius:
806:11                                               I,9,30
Philo, na deze zaken verklaard te hebben in de inleiding, begint de vertaling van Sanchuniathon en zet de Fenicische theologie min of meer als volgt voort:
............
806:15                                               I,10,1
Hij neemt als waar aan, dat in het begin alle dingen donker, winderig, mistig waren of door een windstoot van donkere mist en een troebele, waterig "chaos", donker als Erebos.(1)
806:16
Deze zaken waren grenzenloos en gedurende een lange periode hadden zij geen grens. Hij zegt:
Vlg.Philo:
806:17
En toen de wind zijn eigen primaire elementen liefhad en er een mengsel werd gevormd, werd dat 'plexus' Pothos (Verlangen) genoemd. Dit 'plexus' is de bron van de schepping van alle dingen. Maar hij [Pothos] had geen weet van zijn eigen schepping.
..........
806:20
En uit zijn verbinding [met de wind] werd 'Mot' geboren.
806:21
Sommigen zeggen, dat ['Mot'] een soort slijm is; anderen dat het een verrotting van een watermengsel is.
806:22
En uit deze verrotting werd elk zaad van de schepping en [het] ontstaan van alle [dingen] geboren.
‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑
1)            ofwel: Hij neemt als waar aan, dat er in het begin een donkere waaiende lucht was of een zweem van donkere lucht en een troebele duistere 'chaos'. (Ebach).



806:23                                               I,10,2
En er waren enige levende dingen, die geen zintuiglijke waarneming bezaten; hieruit werden levende wezens geboren, die verstandelijke vermogens (1) hadden. En zij werden "Zopasemin"(2) genoemd, hetgeen waarnemers van de hemelen betekent en zij hadden de vorm van een ei. En 'Mot' liet de zon en de maan, de sterren en de grote lichtgevende lichamen stralen. (3)
.........
Vlg.Eusebius:
806:27                                               I,10,3
Zo is hun kosmogonie, die openlijk de godloosheid introduceert. Laat ons vervolgens nu bekijken hoe hij zegt hoe de ontwikkeling van dieren zich ontwikkelde. Hij zegt dienovereenkomstig:
Vlg Philo:
806:28                                               I,10,4
En toen de lucht in licht veranderde (4), vanwege het verbranden van zowel het land als de zee, ontstonden er winden en wolken en grote stortregens vanuit de hemelen en overstromingen.
............
806:31
En toen [de wateren] apart werden gezet en gescheiden werden van hun oorspronkelijke plaats vanwege de zon,
............
807:3
En als gevolg van de botsing van de donders, ontstonden de verstandelijke wezens, die hierboven genoemd werden,
807:4
en als een gevolg van het lawaai werden zij angstig,
‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑
1)            ofwel: zintuiglijke waarneming. (Ebach).
2)            = hemelwachters vanuit aarde naar hemel of andersom.
3)            ofwel: en Mot gaf licht als de zon en de maan, de sterren en de grote lichtgevende lichamen. (Ebach).
                ofwel: en Mot had de vorm van een ei en Mot gaf licht.... enz.(Clemen).
4)            ofwel: En toen de lucht helder geworden was, ..... enz.      (Clemen).





807:5
en man en vrouw werden in beweging gezet in aarde en zee. (1)
Vlg.Eusebius:
807:6                                                I,10,5
En dit is hun optekening van de generatie van dieren. Na deze zaken gaat dezelfde auteur verder en zegt:
Vlg.Philo:
807:7
Dit zijn de zaken, die gevonden werden in de geschreven kosmogonie van Taautos en in de commentaren over zowel de veronderstellingen als de bewijzen, dat zijn geest zag en vond en aan ons overgebracht heeft.
............
Vlg.Eusebius:
807:10                                               I,10,6
Na deze zaken, waarbij de namen van de winden Notos, Boreos (2) en de anderen werden genoemd, gaat hij verder:
Vlg.Philo:
807:11
Maar aan deze, wijdden de ouden de producten van de aarde en beschouwden hen goddelijk;
807:12
en zij aanbaden deze zaken, waarop zij en allen, die hen vooraf gingen of hun nakomelingen zijn, hun leven vervolgden;
807:13
en zij voerden offers in van drank en wierook. (3)
‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑
1)            Alternatief voor I,10,4 vlg.Ebach: En toen de lucht in licht veranderd was door de hitte van het land en de zee, ontstonden er vanuit de hemelen winden en mist en grote stortregens en wolkbreuken. En toen de wateren apart werden gezet en gescheiden werden van hun oorspronkelijke plaats vanwege de gloed van de zon en toen alles in de lucht elkaar ontmoette en botsten, toen ontstonden donder en bliksem en als gevolg van het lawaai van de donderslagen werden de hierboven genoemde waarnemingskundige wezens opgeschrikt en werden in beweging gezet op de aarde en in de zee, mannetjes en vrouwtjes.
2)            ofwel zuiden en noorden wind.
3)            ofwel: en zij brachten hen gaven en offers. (Clemen).






807:14
Maar zij bewaarden medelijden, hartstocht en het treuren voor de afwijkende groei van de aarde en voor het eerste begin van de levende dingen van de aarde en voor [hun begin] en van ieder ander en voor hun einde, toen zij uit het leven stapten.
............
Vlg.Eusebius:
807:17
En hij vervolgt:
Vlg.Philo:
807:18                                               I,10,7
Dit waren de [uitgesproken] denkbeelden in [hun] aanbidding overeenkomend met hun zwakheid en hun gebrek aan moed in die tijd.

De verschillende nummeringen slaan op de verschillende notaties in de vertalingen.
Zo, en nou mag jij aan de bak. Lijkt het ook maar iets op de denkbeelden van het Verre Oosten?

Toetje: we kennen ook enige Fenicisch/Griekse filosofen/geleerden van allerlei pluimage:
Zenon.
1.van Kition. Hij werd in 333/2 v.c geboren in Kition, zoon van een rijke koopman Mnaséas. In 312/11 vertrekt hij naar Athene en verbreidt daar de leer van het Stoïcisme. Hij overlijdt in 264 v.C.
2.van Sidon. Leerling van Zenon van Kition. Auteur van o.a. “Sidoniaka” en “het leven van filosofen”.
Sidon is een geestelijk centrum:
In de 1e eeuw na Chr zegt men: Tegenwoordig worden de meeste wetenschappen bestudeerd te Sidon en Tyrus.
-Mochios, de Sidoniër, zou omstreeks 1000 v.C de atoomtheorie hebben ontdekt, alhoewel een enkele bron vermeldt, dat hij zelfs voor de Trojaanse oorlog geleefd heeft.
Môkhos stelt, dat het universum bestaat uit deeltjes atomen en iedere atoom voor zich is ook weer deelbaar. Democritus neemt deze theorie in de 10e eeuw v.C in gewijzigde vorm over. Damascius in de 6e eeuw na Chr zegt, dat Môkhos een interressante kosmogonie heeft ontwikkeld. Hij wordt overigens in een adem genoemd met Sanchuniathon bij Atheneus in Deipnophistae (126A): “degenen, die Fenicische geschiedenissen schrijven, jouw landgenoten Sanchuniathon en Mochos.”
-De tafels van vermenigvuldiging en de stelling van Pythagoras zouden in Sidon zijn opgesteld. Pythagoras (570-497 v.C) werd volgens een bron geboren in Sidon uit Tyrische ouders. Als 2-jarige werd hij gedoopt in het water van de Adonis-rivier bij Afka. Daarna ging hij naar Samos om o.a. bij Thales van Milete (ook een Feniciër) in de leer te gaan. Op 18 jarige leeftijd gaat hij terug naar Tyrus (school Môkhos). Hij volgt retraites op de berg Carmel. Vervolgens komt er een periode van gevangenschap in Egypte en Babylonië. Als hij 56 jaar is, zien we hem weer in Griekenland en dan pas komt zijn beroemde hypothese tot stand.
Een andere bron zegt, dat hij te Samos werd geboren. Hij wijkt uit naar Crotone. Daarna volgen grote reizen. In Babylonië komt hij in contact met Zarathoestra. Dan verder naar Arabië en Thrakië. Hij onderzoekt de getallenleer en de psychologie, kent veel navolging, maar er zijn geen eigen geschriften van hem bekend.
- Een vorm van kunst is ook de beeldhouwkunst, die zo prachtig tot uiting komt bij de vele prachtige sarcofagen, maar ook op diverse reliefs, zoals die van de pseudo-tribuun. Die moet omstreeks 350 v.C tot stand zijn gekomen. We zien een moeizame vermenging van Fenicische en Griekse motieven
-De filosoof Boëthos (2e eeuw v.C) maakt in Sidon een verhandeling over de aard van de ziel.
(alles naar zeggen van J.Mazel, boek 16). Hij hangt met zijn broer Diodotus het pantheïsme aan en beschouwt het universum als twee helften (een goddelijke en een wereldlijke). Een andere Boëthos van Sidon leeft t.t.v.Augustus en beoefent te Athene de  peri-pathetische filosofie.
-De dichter Antipater van Sidon werd elk jaar slechts op één dag, zijn verjaardag, door koorts overvallen en stierf daar ook aan, op behoorlijk hoge leeftijd (Plinius 7.172).
-Straton, de zoon van Straton uit Sidon munt uit in het bespelen van de cither tijdens de musea in Griekenland volgens een gedenksteen te Erimo-Kastro.
-Aratus van Soli uit Cilicia verbleef ergens na 275 v.C te Athene en sloot zich aan bij de  filosofische school van Stoa (Zeno van Kition). Hij schrijft over sterrenconstellaties en de hemelse sferen en hoe de mannen van Sidon op de sterren voeren:
“Het is door Helice (grote beer), dat de Achaeërs op de goddelijke zee hun weg vonden bij het besturen van hun schepen, maar in de andere ster (Cynosura of kleine beer) stelden de Feniciërs hun vertrouwen als ze de zee overstaken. Maar Helice, die groot verschijnt in het begin van de macht, is helder en makkelijk terug te vinden; maar de andere is klein, en toch beter voor de zeelui; want in een kleinere ruimte wentelen alle sterren. Door haar gidsfunctie sturen de mannen van Sidon hun rechte koers.”
Strabo is in de 1e eeuw na Chr onder de indruk van Sidon als een centrum van kunsten en wetenschappen (16.2.24): “De Sidoniërs zijn volgens de traditie bekwaam in vele mooie kunsten, zoals de dichter (Homeros) ook al uitlegt: en daarnaast zijn zij filosofen in de wetenschappen van astronomie en rekenkunde, waarbij zij hun studies begonnen zijn met practische berekeningen en met het zeilen bij nacht; want iedere tak van kennis heeft te maken met de handelaar en de scheepseigenaar; want bijvoorbeeld de geometrie werd uitgevonden, omdat de opmeting van landen nodig was door de Nijl, wanneer het zijn grenzen overschrijdt bij overstromingen. Deze wetenschap kwam bij de Grieken via de Egyptenaren; astronomie en rekenkunde kwam van de Feniciërs; en tegenwoordig bevindt zich de meeste verzameling aan kennis in elke andere tak van filosofie bij deze steden. En als we Poseidonius mogen geloven, dan komt het oude dogma over atomen van Mochus, een Sidoniër, die voor de Trojaanse oorlog werd geboren.”
Tijdens de Romeinse periode floreerde ook een school van beeldhouwers te Sidon. Zo kennen we een witte marmeren sarcofaag met beeldhouwpanelen, die de mythe van Marsyas voorstellen. De overblijfselen van Hermogenes (50 jaar) vinden in de sarcofaag zijn laatste rustplaats.